vrijdag 23 maart 2007

HET LIJDEN OP AARDE

[Schets van een lezing, gehouden voorjaar 2005; gelezen: Mattheus 16:21-28.]

Het gekozen thema is van toepassing op dit jaargetijde namelijk Pasen. Zoals u weet gaat het daarbij in eerste instantie om het lijden van Christus. Om het onderwerp wat uit te breiden, betrek ik ook het lijden van de mens erbij. Dan moet je denken aan bijvoorbeeld de waarom-vraag in het leven. De twee vormen van lijden, namelijk dat van de mens en van Christus, zet ik tegenover elkaar nadat ze beide uitgediept zijn. Als we het hebben over lijden, wat betekent dat dan? Over het algemeen definiëren mensen lijden als een onprettige ervaring in de vorm van het voelen van een bepaalde mate van pijn aan het lichaam of de ziel. Deze pijn kan te maken hebben met heel verschillende soorten van lijden.

In onze tijd omschrijven mensen bijvoorbeeld het woord “geluk” als: de afwezigheid van lijden. Dit komt erop neer dat lijden het tegenovergestelde is van geluk. Wie wil er nou niet gelukkig zijn? Het gevolg is dat wij in deze tijd vooral bezig zijn om te streven het lijden uit ons leven te bannen en zodoende geluk te bereiken. Dat kun je zien aan allerlei maatregelen die bijvoorbeeld op technisch gebied genomen worden. Door de technische vooruitgang wordt het ons allemaal wat gemakkelijker gemaakt. Machines lossen een heleboel snertkarweitjes voor ons op en wij houden mooi het leuke werk over. De auto zorgt ervoor dat we ons met minder moeite verplaatsen. Het openbaar vervoer maakt het ons gemakkelijk, ook al vinden wij dat de NS het rooster strakker dan strak moet plannen. Het eten hoeven we niet meer met pijn en moeite bij elkaar te schrapen; het ligt in de supermarkt zo kant en klaar dat we het alleen nog maar twee minuten in de magnetron hoeven op te warmen. Je kunt wel zeggen: het gemak dient de mens. En toch is onze samenleving er niet gelukkiger op geworden; sterker: de mens verveelt zich daardoor enorm. Dit is kort samengevat de visie van de moderne mens op het lijden.

Nu de visie van de mens in de oudheid. Met oudheid bedoel ik in dit verband even globaal gezegd de middeleeuwen en de tijd ervoor. De mensen in de oudheid waren voortdurend bezig met de gedachte hoe ze het goede konden doen, terwijl de moderne mens zich er vooral mee bezighoudt hoe hij gelukkig kan zijn. Voor de mens van vroeger leidde het goede de mens op de weg naar het geluk. Voor de moderne mens leidt goedheid nergens toe.

Wat zegt de Bijbel over lijden? In Mattheus 16 spreekt Jezus niet zozeer over het vreselijke van het lijden maar gebiedt ons gehoorzaamheid en zelfverloochening: ‘Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij’ (vers 24). Het volgen van Christus betekent dus per definitie lijden. Dat de visie van de moderne mens –om zoveel mogelijk leed te weren uit zijn leven– geen stand houdt, is evident. Kijk maar naar vers 25: ‘Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden’. Een christen behoort dan ook te weten dat het lijden in zijn leven is inbegrepen; het hoort er bij, je kunt het niet losmaken.

Ergens anders in de Bijbel, in Job, wordt het lijden juist heel diepgaand besproken. De Heere beproeft Job hevig of zijn geloof sterk is om standvastig en belangeloos God te blijven dienen en gehoorzamen. Job leed zo hevig, dat zijn vrienden zelfs een week zwegen in zijn aanwezigheid. En alsof hij niet al genoeg leed, werd hij daarna ook nog getergd door zijn vrienden die wel het beste met hem bedoelden, maar er niets van begrepen en dus het lijden van Job verzwaarden. Zij dachten dat het goede altijd de beloning was voor iemands rechtvaardigheid en dat het kwaad altijd een straf was op de onrechtvaardigheid. Toen “die rechtvaardige man” beroofd werd van huizen, oogsten, dieren, knechten, zonen en dochters en verder nog van zijn gezondheid en het vertrouwen van zijn vrouw, kon er volgens zijn vrienden maar één uitleg mogelijk zijn: Job had iets misdaan. Noch zij noch hij wisten van het wonderlijke schouwspel dat zich in de hemel aan het hof van God had voltrokken, toen God de aandacht van satan op Jobs onschuldige getrouwheid vestigde. ‘Natuurlijk vertrouwt Job op U – tot nu toe!’ antwoordde satan. ‘U hebt hem alles gegeven. Maar neem het eens weg en hij zal U in Uw gezicht vervloeken’. Na de komst van zijn vrienden komt Job niet erg als een geduldig iemand over. Hij had snel genoeg van zijn vrienden en had veel vragen, argumenten en beschuldigingen aan het adres van God. Pas later vormde God het verdriet van Job volledig om tot aanvaarding en overgave. Goed, tot zover over de vraag wat lijden is.

Soorten van lijden

Er bestaan veel soorten van lijden. Je kunt twee soorten ontdekken: lijden in het lichaam (fysiek) en lijden in de ziel (geestelijk). Zonder uitputtend te willen zijn, noem ik een paar voorbeelden van fysiek lijden: ziekte, pijn, armoede, honger. Voorbeelden van geestelijk lijden zijn: rouw, verlies, eenzaamheid, vervolging, tegenslag.

Als je aan lijden denkt kunnen al die gedachten je geest overstelpen. Denk aan bezorgdheid die vreet als vuur, aan eenzaamheid die zich uitstrekt als een woestijn, aan de hartverscheurende eentonigheid van voortdurende ellende, of aan de doffe pijnen die iemand met duisternis kunnen vervullen, of plotselinge pijn door verlies die je hart in één klap vermorzelt, of razende pijnen die al onverdraaglijk lijken en dan toch nog erger worden. Hiervan zal ik een paar verhalen vertellen die over verschillende soorten van lijden gaan.

Het eerste verhaal gaat over fysiek lijden: ziekte. Een vrouw werkte op een zendingsschool in Afrika om Gods Woord te vertellen aan kleine kinderen. De vrouw was pasgeleden tot geloof gekomen. Alles ging prettig voor haar en God had haar werk gegeven om voor Hem te doen. Maar het zou allemaal tot stilstand komen, omdat ze nu een ziekte had gekregen die haar waarschijnlijk op korte termijn totaal zou vernielen. Toen ze een vriendin uit Amerika sprak, zei ze: ‘Het lijkt me zo vreemd dat God dit maar gewoon laat gebeuren’.

Een ander verhaal: de man die ik bedoel, leed niet alleen fysiek maar daardoor ook geestelijk. George Matheson werd kort na zijn verloving blind. Zijn verloofde verbrak de verbintenis. Misschien is er wel geen bitterder eenzaamheid dan die van de afwijzing. Hij moest niet alleen leren leven zonder iemand met wie hij dacht voor altijd verbonden te zijn, maar hij moet ook dolkstoten in zijn hart hebben gevoeld als: je verdiende het te worden afgewezen. Je bent voor altijd veroordeeld tot eenzaamheid en er is niemand die daar iets om geeft. Angst en woede kunnen opkomen. Als ik mij tot God richt, zou Hij mij ook af kunnen wijzen. Hoe kan ik tot Hem komen? God had kunnen voorkomen dat dit gebeurde. Wat voor vreselijks zou Hij nog meer naar mij kunnen zenden?

Je ziet bij deze twee verhalen en bij de geschiedenis van Job onvermijdelijk de vraag ontstaan waarom God dit allemaal toestaat en waarom God juist mij dit laat overkomen. We zijn nu aangekomen bij het volgende punt: de waarom-vraag.

De waarom-vraag

Dat zonde de oorzaak van het lijden is, laat ik even buiten beschouwing. Als er iets ergs of zelfs iets vreselijks gebeurt in je leven ga je door een proces van rouw en verootmoediging heen; denk aan het bekende rijtje: eerst beland je in een shocktoestand waarbij je alleen nog maar verdwaasd rond kan kijken, dan volgt ontkenning van het gebeurde, daarna realiseer je je dat het echt waar is, als laatste volgt acceptatie. In ernstige gevallen gaat dat niet maar even snel; tussen het zich realiseren van het gebeurde en de acceptatie zit de langste tijd. In die tijd doemt automatisch een aantal vragen in je op. Waarom laat God dit toe? Wat heeft dit voor zin? Waarom moet juist mij dit overkomen? Waarom zorgde God er niet voor dat dit niet gebeurde? Hij is toch machtig genoeg om alles in goede banen te leiden? Enorm veel waaroms waarop wij geen –althans niet direct– antwoord op krijgen van God. Daarna kun je, als je er niet voor bewaard wordt, snel conclusies trekken, zo van: Hij zal mij wel willen plagen. Of: God zal het slechte met mij voorhebben. En: dit lijden heeft geen enkele zin. Of deze: als God goed is, zou Hij al zijn schepselen volmaakt gelukkig maken, en als Hij almachtig is, zou Hij kunnen doen wat Hij wenste. Maar de schepselen zijn niet gelukkig. Is God daarom niet goed of niet almachtig of geen van beide? Ik heb een vraag aan u: mag je de waarom-vraag stellen (vgl. Markus 15: 33-36)?

De kernpunten in de welbekende waarom-vraag betreffen dus eigenlijk Gods almacht en Gods goedheid. In onze tijd heerst een bepaalde kijk op wat goed en almachtig is. Daarom moeten we eerst de betekenis van deze twee woorden weten voordat we de plek zien die het lijden heeft binnen de Godsregering. Laten we beginnen met Gods almacht.

Gods almacht

Almacht betekent de macht om alles te doen. Als ongelovigen dit letterlijk zo interpreteren, kunnen ze zeggen als ze gelovigen zien lijden: ‘O, ik dacht dat God volgens jullie alles kon’. Het bekendste voorbeeld daarvan is de kruisiging van Christus. Daarbij spotten omstanders met Hem: ‘Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. (…) Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse (…)’(Matth. 27:40, 43). Deze spotters wisten heel goed dat dat onmogelijk was, vandaar dat ze dat durfden te zeggen. Ik zeg onmogelijk; waarom? Niet alleen omdat de Christus moest lijden, maar ook omdat het fysiek gezien onmogelijk was. Ik zal dit door voorbeelden toelichten. Als je in de gevangenis zit in een diepe kelder waarin het raam vijf meter boven je zit, is het onmogelijk naar buiten te kijken. Tenzij je een periscoop of een ladder had. Maar die heb je niet, dus is het onmogelijk. Nog een voorbeeld. Je loopt op straat en je hebt het idee dat je achtervolgd wordt, maar je wilt persé niet achterom kijken, dan is het onmogelijk om je achtervolger te zien. Tenzij je ogen in je achterhoofd kreeg, maar dat is onmogelijk. Is het dan redelijk om van God te eisen dat je een extra oog in je achterhoofd krijgt? ‘Nee, natuurlijk niet’, zullen we zeggen. Is Gods almacht dan beperkt? Nu moet ik voorzichtig zijn in de manier waarop ik het zeg: in zekere zin beperkt God Zijn almacht. God heeft de natuurwetten ingesteld bij de schepping van de wereld. Hij heeft dit systeem opgezet om de gemeenschap van mens, dier en plant te kunnen laten leven. Als deze scheppingsorde er niet was, moet je rekenen dat alles heel raar zou lopen. Het zou één grote puinhoop worden. Voorbeeld: als een raket de ruimte in vliegt verliest op een gegeven moment alles zijn gewicht. Misschien hebt u wel eens een dergelijke foto gezien waarbij een astronaut samen met zijn eten en drinken in een ruimteveer dwars door elkaar rondzweefden. Zo’n onvoorspelbare wereld kun je je voorstellen als God Zijn natuurwetten niet had ingesteld. Overigens moet ik erbij aantekenen dat Gods natuurwetten zich natuurlijk niet uitsluitend beperken tot de zwaartekracht. Je hebt bijvoorbeeld ook de tijd, de ruimte, het groeiproces, geluidsgolven, enzovoorts.

Aangezien we in een geordende wereld leven, zijn we vrije, zelfstandige wezens in die zin dat we geen marionetten zijn. Als God alle mensen als marionetten bestuurde, had de mens geen keuze en werd hij overgeleverd aan allerlei rare grillen en onzekerheden, zoals in het voorbeeld van het ruimteveer. De vrijheid van de mens in de natuurlijke orde om te kiezen, brengt met zich mee dat hij ook vrij is om kwaad te doen. We weten ook dat er kwaad en lijden door de mens zelf wordt veroorzaakt. Dit kan onder andere gebeuren doordat hij een keuze maakt schijnbaar in zijn eigen belang. Stel dat wij in een wereld terecht zouden komen die zo compleet naar onze grillen veranderde, dan zou je daarin niet zelf kunnen handelen; je zou er geen eigen wil meer hebben. Als de materie vaste eigenschappen heeft en aan constante wetten gehoorzaamt, zullen niet alle toestanden van de materie even sterk voldoen aan de wensen van de individuele mens. Bijvoorbeeld: vorige week lag Nederland onder een dik pak sneeuw. Als we de kinderen niet meerekenen, kunnen we zeggen dat de automobilist daar niet echt blij mee was, want het bracht verkeersonveiligheid met zich mee. De automobilist wenste dus de sneeuw weg. Echter het gegeven dat het vroor en dat er te weinig zout was, zorgde ervoor dat de sneeuw bleef liggen. Stel dat de automobilist zijn zin kreeg, dan betekende dat het einde van de ijspret van de kinderen. Gelukkig dat God Zijn natuurwet heeft ingesteld en dat Hij regeert.

Ik kom terug op de stelling dat God Zijn almacht beperkt. God wil Zich verbinden aan Zijn eigen natuurwetten, omdat Hij ze zelf volmaakt geschapen heeft. God zet de natuur niet door bovennatuurlijke macht opzij. Hij houdt Zich daar aan.

Bestaan er dan geen wonderen en kunnen we geen wonderen van God bidden? C.S. Lewis geeft een prachtig antwoord op deze vraag: ‘We kunnen Hem wonderen toeschrijven, maar geen onzin’. Wonderen bestonden vroeger en God zegt in Zijn Woord dat Hij altijd Dezelfde blijft, dus bestaan wonderen nog steeds.

Gods goedheid

We hebben gelet op Gods almacht, we komen nu bij Gods goedheid, omdat we ons keren tegen de visie die zegt dat als God goed was, Hij al zijn schepselen volmaakt gelukkig zou willen maken. Wat is goed en wat is kwaad? Mensen hebben daar een heel eigen kijk op. Dat onze kijk daarop wel eens niet helemaal zuiver kan zijn, is begonnen in het paradijs, waar we het verschil tussen goed en kwaad nog niet konden onderscheiden. Het is zo dat God alleen een visie op goed en kwaad heeft en Hij beveelt ons gehoorzaamheid. Tenslotte is Hij volmaakt verstandig en voorziet Hij oneindig veel meer. Tegenwoordig bedoelen mensen met Gods goedheid alleen maar Zijn liefde. En met liefde bedoelen we meestal vriendelijkheid in de zin van: het verlangen om anderen gelukkig te zien. Zó zien we in God (met eerbied gesproken): geen Vader, maar een soort grootvader, een goede oude baas die zorgt dat zijn kleinkinderen het de hele dag prettig hebben. Het moet dus een ander soort liefde zijn bij Hem, want we zien dat het zo op deze aarde niet verloopt. Een vriendelijkheid kan het niet zijn, omdat vriendelijkheid een onverschilligheid in zich kan bevatten. Denk aan de MKZ-crisis waarbij uit voorzorg voor verdere uitbreiding van de ziekte een groot aantal dieren onnodig zijn afgeslacht. Het maakte het ministerie niet uit of de beesten er beter of slechter van werden, zolang het vee maar niet hoefde te lijden en wij er geen last van hebben. Hoe anders zegt de Bijbel: het zijn de bastaards die verwend worden: wettige zonen, die de familietraditie moeten voortzetten, worden strenger opgevoed (Hebreeën 12:8).

In de herschepping zijn wij Gods kunstwerk, iets dat Hij aan het maken is en daarom iets waar Hij pas tevreden over is als het is geworden zoals het zijn moet. Ik heb een voorbeeld: als een schilder iets voor een kind tekent om het bezig te houden, zal hij niet al te veel moeite doen: hij zal het al gauw goed vinden, al is het niet precies wat hij bedoelde. Maar voor zijn mooiste doek, zijn levenswerk – het werk waar hij net zoveel van houdt als een man van zijn vrouw of een moeder van haar kind – daarvoor spant hij zich eindeloos in – en daarmee zou hij het schilderij, als het voelen kon, eindeloos kwellen. We kunnen ons voorstellen dat een schilderij met gevoel, nadat het voor de tiende keer is uitgeveegd en afgekrabd en weer opgezet, wenst dat het niet meer dan een losse krabbel zou zijn die in een paar tellen klaar is. Zo is het ook begrijpelijk dat wij wensen dat God een minder glorieuze en veeleisende bestemming voor ons had ontworpen; maar dan vragen we eigenlijk niet om meer liefde, maar om minder liefde.

Het probleem is dat mensen het woord “liefde” interpreteren en beschouwen alsof de mens het middelpunt van alles is. God bestaat echter niet ter wille van de mens, maar we bestaan opdat God ons kon liefhebben, opdat wij tot wezens worden gevormd waarover Hij zich kan verheugen. Gods liefde betekent eigenlijk een gezaghebbende liefde als die van een vader, en de liefde van ons tegenover God betekent een gehoorzame liefde als die van een zoon. Hij zorgt ervoor dat we worden wie we zijn.

Het nut van het lijden

We zijn aangekomen bij de vraag of het lijden te verklaren is. Misschien komt het allemaal wat nuchter over hoe ik het beschrijf. Want als je midden in het lijden zit, is het echt niet zo makkelijk om het nut van het lijden te zien. Toch is het de christelijke visie op het lijden die we toch vroeg of laat zullen moeten erkennen.

Als we van het volgende standpunt uitgaan: wij zijn niet gewoon onvolmaakte schepselen die verbeterd moeten worden, nee meer, we zijn rebellen die hun wapens neer moeten leggen. Dan kunnen we de vraag stellen: ‘Waarom is onze genezing zo pijnlijk?’ Lewis antwoordt dat het hoe dan ook bijzonder pijnlijk is om de eigen wil die we als ons recht beschouwden, aan God te onderwerpen. De mens zal nooit ook maar proberen zijn eigenwilligheid op te geven zolang alles goed lijkt te gaan. God gebruikt het lijden als een omroepinstallatie om ons luid te roepen en daarmee wakker te schudden. Het lijden is een verschrikkelijk instrument; het kan tot definitieve rebellie leiden als God ons er niet voor behoedt. Maar let wel: het lijden is ook de enige kans voor een slecht mens om een beter mens te worden. Want geluk zonder lijden maakt ons niet beter. Daarom kunnen we zeggen dat het eerste nut van het lijden is dat het een eind maakt aan onze gedachte dat het wel goed zit met ons.

De tweede functie zal ik illustreren aan de hand van een voorbeeld: een piloot heeft een parachute bij zich voor noodgevallen. Nu, mensen zien God vaak zoals een piloot zijn parachute ziet; hij is er voor noodgevallen, maar hij hoopt dat hij hem nooit nodig zal hebben. Maar God heeft ons gemaakt en Hij weet dat het geluk in Hem ligt. Zolang ons eigen leven prettig lijkt, zullen we het niet aan Hem overgeven. Wat kan God anders doen dan voor onze bestwil ons leven minder prettig maken en de weg naar het vals geluk afsluiten? Soms begrijpen we er niets van als we zien hoe ongeluk aardige, verstandige en veelbelovende mensen treft. Ze hebben zo hard en deugdzaam gewerkt voor hun bescheiden geluk en lijken nu toch alle recht te hebben om ervan te genieten? Gods antwoord hierop is dat hun bescheiden voorspoed en het geluk van hun kinderen niet genoeg zijn voor hun zaligheid: dat ze dit uiteindelijk allemaal achter moeten laten, en dat er niets dan ellende komt als ze Hem niet hebben leren kennen; dat ze met narigheid moeten worden geconfronteerd om hun zelfgemaakte hoogvliegerij te stoppen.

De derde functie van het lijden is God vrijwillig dienen. Volledige overgave van onszelf aan Gods wil moet dus met lijden gepaard gaan: om deze daad volmaakt te laten zijn, moet hij puur uit gehoorzaamheid worden verricht, ondanks ons onbestemde verlangen. ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede’.

Hoe kunnen we staan in dit leven?

Lijden van de mens tegenover het lijden van Christus

Laten wij nu onze blik op het lijden op een hoger niveau zetten. Hiervóór hebben we het lijden van de mens beschouwd. Nu gaan we dit vergelijken met het lijden van Christus, dat we binnenkort hopen te gedenken bij Pasen en telkens bij het Heilig Avondmaal. In vraag en antwoord 37 uit de Heidelbergse Catechismus lezen wij: Hij heeft geleden op aarde; Hij heeft de toorn van God gedragen om ons daarmee te verlossen.

Aanvaarding

Hij had ook kunnen kiezen niet op deze aarde neer te dalen; niet te lijden onder de Joden in Zijn leven met al hun onbegrip. Hij had kunnen kiezen niet aan het kruis te lijden. Toch heeft Hij het gedaan. En vrijwillig. We kunnen de weg van aanvaarding op iedere bladzijde van het leven van Jezus zien. Het kwam voort uit liefde, gehoorzaamheid en vertrouwen. Niemand kon het leven van Hem afnemen. Hij legde het opzettelijk af. Hij roept ons op ons kruis op te nemen. Dat is iets anders dan berusting in een noodlot. Het is een blijmoedig en vrijwillig JA op de voorwaarden die gelden tijdens de wandeling met Hem, omdat dit de voorwaarden zijn die Hij met ons wil delen. Het is Gods plan om ons het kruis op te leggen, ons te heiligen, en de tegenslag komt zeker zolang wij in het vlees zijn en in deze harde, oude wereld leven. Alles wat wij moeten doen, is dat aanvaarden. Deze overgave betekent in alle gevallen pijn lijden.

Schuldloos

Als we het hebben over Jezus’ lijden, dan gaat het wel over schuldloos lijden, let wel! Op de basisschool willen leerlingen nog wel eens dingen doen die niet door de beugel kunnen. Zo was er een jongen die, toen de meester even buiten de klas was, het raam openzette voor sneeuwballen van spelende jeugd. Toen de meester weer terugkwam in de klas was het natuurlijk een grote puinhoop. Hij stelde meermalen de vraag wie dit op zijn of haar geweten had, zonder succes. Deze meester was het type dat straf gaf aan iedereen als hij er niet achter kwam wie de dader van een uitgehaalde streek was. Het voelde natuurlijk ontzettend onrechtvaardig aan, dat de onschuldigen ook straf kregen; wij werden daardoor diep verontwaardigd. Zo zou het voor de Heere Jezus ook gevoeld moeten hebben. Daarom voelt schuldloos lijden altijd extra zwaar aan.

Delen in het lijden van Christus

Er loopt een jongetje op het schoolplein in de pauze. Hij loopt alleen. De andere jongens hebben veel plezier, treiteren andere leerlingen naar hartelust, schelden en vloeken en zijn regelmatig ongehoorzaam aan de meester. Hoe komt het dat dit jochie alleen loopt? Hij heeft geen vrienden omdat hij zo vreemd doet. Hij gehoorzaamt de meester, hij scheldt niet, hij treitert anderen niet. Soms denkt hij: ‘Zal ik ook maar meedoen met de slechte dingen die andere jongens doen. Ik zou graag ook een vriend willen.’ Maar dit is nu de prijs die hij voor getrouwheid moet betalen. Het kruis dat hij voor Christus opneemt, is een harde gehoorzaamheid. Het is Zijn kruis. Jezus zou hem geen kruis geven dat Hijzelf niet meedraagt, dat Hij zelf niet op Golgotha gedragen heeft. Iedere keer dat het hart van de jongen in liefde tot Christus JA zegt als zijn oude mens NEE zegt, neemt hij zijn kruis op. Daar gaat hij een beetje op zijn Meester lijken, daar leeft hij in Hem, daar deelt hij in Jezus’ werk van het vervullen van de wil van de Vader op de aarde.

Hier op aarde krijgen wij als het ware een plaats toebedeeld die wij hebben te aanvaarden, ook al willen wij liever een andere, een leukere rol vervullen. We moeten uitkijken voor eigenwilligheid, want dan zeggen we eigenlijk: ‘Mijn wil geschiede’. Ons gebed moet zijn: ‘Help mij niet verkeerd te willen. Leer mij naar Uw wil te leven. Mag mijn wil zich voegen naar Uw wil.’ Bid of jouw wil mag overeenstemmen met Gods wil: ‘Wilt u mijn wil zo vormen, dat ik hetzelfde wil als U wilt?’ Niet ik wil, maar ik laat mij leiden; God is mijn Meester. En wordt je gebed soms niet direct vervuld? Denk dan maar aan de Heere Jezus die in de hof van Gethsémané bad: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan! doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’. Ik vraag aan u: is dat gebed vervuld? Nee, in hoofdzaak niet, zelfs niet het gebed van de Koning der koningen. Ga dan niet hard in tegen mislukkingen maar laat de derde weg open. Dat is de afleiding van de route die jezelf bedenkt. De Heere houdt ons vijf dingen voor: Hem op de eerste plaats stellen; stil zijn en beseffen dat Hij God is; vooruitgang maar geen volmaaktheid; voortdurend mijn gedachten en wensen aan Hem overleggen; de tijd ervoor nemen.

Jezus beveelt ons dat wij ons kruis op moeten nemen. En dat betekent zelfverloochening. Zelfverloochening betekent dat wij alles op het spel zetten. Wij hebben de taak ons voor te bereiden op een hard en inspannend leven vol van grote of kleine rampen. Dan moeten wij niet denken dat ons iets vreemds overkomt, want dat is ons tenslotte voorzegd. Het is toch zo dat God ons een opdracht in het leven geeft, namelijk gehoorzaamheid aan Hem en het vinden van Zijn weg, ondanks de dingen die gebeuren in ons leven. Hij wil dat wij worden zoals Hij (Romeinen 8:29). Je kunt dus stellen dat het een proef van God is om de echtheid van het geloof aan het licht te brengen (1 Petrus 1:7). We moeten dit niet zien als een poging tot afval, al kan dat soms wel het gevoel zijn. Denk maar aan het voorbeeld van een vader die zijn zoon straft. Als dit overigens niet uit woede ontstaat, zal die vader dat ooit doen om zijn zoon slechter te maken? Ik denk dat hij het zal doen omdat hij verantwoordelijk is en liefde heeft voor zijn zoon (Spreuken 3:11). Bij een bastaard zou het anders liggen. In onze aard ligt het zo dat we ons minder verantwoordelijk voelen voor dingen die niet van ons zijn (Hebreeën 12:8).

Hoe kunnen we dit weten? Jezus heeft hetzelfde soort lijden ondervonden als alle andere mensen, zoals wij. Hij heeft tot Zijn Vader gebeden of het leed Hem bespaard kon blijven, maar de Vader spaarde Hem niet. Jezus moest dus oneindige gehoorzaamheid bewijzen aan Zijn Vader. Daarom is het onze troost dat wij gemeenschap kunnen hebben aan het lijden van Christus door de Heilige Geest.

Mensen bouwen vaak veel zekerheden in hun leven in. In het werk, het gezin en relaties worden risico’s uitgebannen. Daardoor denken wij autonoom te worden. Nu wil God deze zekerheden wegbreken, zodat wij terugvallen op God. Zo zijn niet wij meer god, maar is de Heere weer God. Op deze manier leren wij onszelf en Hem kennen.

God vraagt niet van je om je geliefden te haten, maar hij vraagt bereidheid om hen af te staan aan Hem. God vraagt niet van je dat je blijft lachen als je ernstig ziek bent, maar hij vraagt bereidheid om je ziekte geduldig te dragen. Anders kun je Christus niet waardig zijn. Denk aan Abraham die bereid was zijn enige zoon af te staan aan God door hem te offeren (Genesis 22:12). Als God hem niet tegengehouden had, had Abraham het zéker gedaan. God openbaarde toen dat Abraham godvrezend was en dat hij Izak niet van God heeft willen onthouden. De grondslag voor zijn gedrag was geloof (Hebreeën 11:17).

Paulus schrijft in de Romeinenbrief (5:3) dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop. God belooft hulp in nood. Mensen vinden dat hulp zo snel mogelijk moet komen. Ja, op zichzelf is dat logisch omdat het lijden niet prettig voelt. Maar het is de vraag of wij dan op de juiste manier tegenover God staan. Want: de verdrukking werkt lijdzaamheid. Als wij opstandig worden, of willen dat God ons probleem zo snel mogelijk moet oplossen, dan kun je dat geen lijdzaamheid noemen. En daardoor ontstaat ook weer geen bevinding, beter gezegd: ervaring dat God je helpt en ondersteunt, in het geloof, in het lijden. Dus nogmaals: God belooft hulp in nood. Dat betekent zelfverloochening, en dat voelt aan als een vernedering. Maar uit dat steunen op Gods Woord volgt de hoop dat God Zijn waarheid voor de toekomst bevestigt. Ons “program” wordt dan eigenliefde (wij wensten dat ons doel probleemloos en zacht verwezenlijkt werd). Op die manier leren we onszelf kennen en ons aan God te gewennen.

Lijden op aarde versus de hemelse zaligheid

Waarvoor zijn we eigenlijk geschapen? Dat is een vraag die bij iedereen, ook bij de ongelovige mens, een keer opkomt. Wij zijn geschapen in het paradijs. Toen was alles zeer goed. We werden dus gemaakt voor de hemel, alleen hebben wij dat verzondigd. Als we nu even de verlossing overslaan (dat hoort u in de lijdenspreken), dan kunnen we zeggen dat wij op deze aarde slechts tijdelijk leven, terwijl het hemelse leven eeuwig is. Als je op het strand loopt, zie je de oneindige zee; bij je voeten vooraan zie je de golven met daarop de schuimkoppen. Nou, dat schuim, dat is dit leven met al zijn moeiten. Daarachter bevindt zich echter een onmetelijke zee van hemels geluk, als het goed is met ons. Ook wordt het hemelse geluk wel eens voorgesteld als een borduurwerk. De achterkant (dat is ons leven op aarde) lijkt één raadselachtige warboel, maar de voorkant (dat is de hemelse eeuwigheid) blijkt een kroon voor te stellen; met andere woorden: God heeft een kroon voor ons klaarliggen, maar dan hebben wij wel te gehoorzamen. Daarom zal de oude mens voor het einde nog gekruisigd worden. En dat is niet zwaar, want: ‘Wie zijn leven verliest, zal het behouden’. Jezus zei, toen zijn leerlingen aan het vissen waren: ‘Werp uw net aan de andere zijde van het schip’. Niet ons eigen idee proberen te redden, maar het laten corrigeren, en overgeven. Niet proberen te vechten tegen de slagen van God, maar geduldig het kruis dragen (hoe ontzettend moeilijk ook). Jezus heeft tenslotte in zijn Zaligsprekingen gezegd: ‘Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden’. Dan kan de deur naar het leven soms achter ons opengaan, en juist niet voor ons (zoals wij verwachtten).
Aan het begin van mijn lezing heb ik gezegd dat mensen het lijden wel eens definiëren als: de afwezigheid van geluk. Kunnen we lijden niet beter de definitie meegeven van: de afwezigheid van genot? Ik eindig met een gedicht van Hieronymus van Alphen met de titel “Die hoop moet al ons leed verzachten”:

Gelijk een landman, moe van ’t ploegen,
De neigend’ avondschaduw groet,
En zich verheugt in het genoegen
Dat hij naar ’t huis der ruste spoedt,
Zo zal de mens, vermoeid van zorgen,
Waaraan hij zijne krachten sleet,
Verlangend uitzien naar de morgen,
Die ’t graf is van verdriet en leed.

Nooit kan ’t geloof teveel verwachten,
Des Heilands woorden zijn gewis.
’t Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
Maar nooit een vriend als Jezus is.
Wat zou ooit Zijne macht beperken?
’t Heelal staat onder Zijn gebied!
Wat Zijne liefde wil bewerken,
Ontzegt Hem Zijn vermogen niet.

Al is het einde ook verborgen
Voor ’t oog dat door geen nevels ziet,
God zal voor onze toekomst zorgen,
Zij die geloven, haasten niet.
Geloofd zij God! Hij zal ons schenken
Een toekomst beter dan het graf.
Aan sterven onbevreesd te denken
Is ook een vrucht, die ’t kruis ons gaf.

Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, ’t hoofd omhoog!
Voor hen, die ’t heil des Heeren wachten
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten,
O vreugd die alle smart verbant!
Daar is de vreemd’lingschap vergeten,
En wij, wij zijn in ’t vaderland!

Ds. H. Oussoren


Geen opmerkingen: