woensdag 26 november 2008

DE OUDSTE ZOON EN ZIJN VADER

Het rechtvaardige volk is getrouw en het wijkt niet af. De rechtvaardigen richten zich in hun denken, spreken en doen naar het Woord waardoor zij geschapen en herschapen zijn. De zonden getuigen tegen ons. We waren beter onderwezen. Volmaakt zelfs. God ziet van al Zijn werk dat het goed is. Op influistering van de duivel zijn onze eerste voorouders gaan twijfelen aan wat de Heere zegt.

Wij, hun nageslacht, gaan daarmee door: Welk gedeelte van de waarheid is onmisbaar? En welk ander gedeelte ervan zullen we eens wegzetten als zijnde traditie met een kleine t? Gehoorzaamheid en toewijding zijn, volgens de boze, dingen die behoren bij de kleine, fundamentalistische, traditie, die je zo snel mogelijk moet afschudden en afschaffen. De leuzen van deze tijd zijn: 'Houd uw belangen op het oog!', 'Beperk u tot wat verwerkbaar is!' en: 'Matig uw gehoorzaamheid!' Wat is dit dwaas, want er is geen tussenweg, doch wie in één gebod struikelt, struikelt in alle geboden. Door moedwillige ongehoorzaamheid zijn wij van onze ereplaats vervallen. Mensen die zondigen, komen in nood. Geen wonder dat we ons dan in alle bochten wringen om de nood te boven te komen. Wanneer de verloren zoon uit Lukas 15, van de honger dreigt om te komen, is er uiteraard geen andere weg begaanbaar voor hem dan de weg naar huis.

'Ik ben een penning weggeraakt,
Een zoon die schulden heeft gemaakt.'


De verloren zoon, de verloren penning en het verloren schaap worden, nadat zij teruggevonden zijn, alle drie teruggeplaatst bij degenen die niet weggeraakt zijn geweest. De blijdschap gaat wel allermeest over degenen die tot bekering gekomen zijn. Maar dit betekent niet dat er helemaal geen blijdschap meer bestaat over de 99 schapen, de 9 penningen en de oudste zoon. Als deze allemaal afgeschreven moesten worden, dan zou de afdwaling van de eenling direct zijn dreigende karakter verliezen. En dat gebeurt ten onrechte steeds vaker, we hebben blijkbaar moeite met mensen die niet afwijken. Vervolgens komt er een goedkope genade om de hoek kijken. In onze dagen is het mode om niet de zondaar maar de zonde te rechtvaardigen. Zonder beterschap te bewijzen, omhullen onboetvaardige mensen zichzelf met het beste kleed van de barmhartigheid. Maar de gerechtigheid struikelt op de straten, en nu gaat de beschuldigende vinger uit naar de degenen die getrouw bevonden zijn.

In deze tijd hebben de 99 rechtvaardigen, de 9 penningen en -vooral!- de oudste zoon uit de gelijkenis het zwaar te verduren in veel kerkelijke uitleg van de Schrift. Echter Schriftgetrouwheid leert ons de oudste zoon te zien in het licht van het tekstgedeelte. De oudste zoon is het type van een kind van God dat in verlegenheid is geraakt vanwege iets waar hij niet bij kan. Vergelijk hem eens met de discipel Ananias die ook niet zo snel enthousiast kon zijn over de pasbekeerde Saulus (Hand. 9: 13v). Net zoals de Heere bij Ananias nadere aandrang gebruikt, zo ondervindt de oudste zoon het ook van de kant van zijn vader. Het is een feit dat de oudste zoon uit de gelijkenis in een verkeerd daglicht wordt geplaatst wanneer mensen hem bestempelen als een jaloerse, hoogmoedige man, die geen waarde zou hechten aan de mogelijkheid van bekering in het leven van andere mensen.

Ten onrechte heeft de mogelijkheid van bekering tegenwoordig de plaats ingenomen van de werkelijkheid van de bekering. De werkelijke vrucht van de boetvaardigheid is niet in tel, maar er wordt druk beweerd dat je nooit mag betwijfelen dat er een 'verloren zoon' schuilgaat in elke onboetvaardige afwijker. Om het 'beeld' van de afwijker op te vijzelen wordt het 'beeld' van de gewoontechristen diep naar beneden gehaald. Er is gaandeweg bij velen de neiging gegroeid om een gewoontechristen te veroordelen en af te wijzen als een afgunstig, hoogmoedig mens. Volgens de waan van het individualisme neemt de losse mens de plek in van de oude ingestelde kerk, die vaak beticht wordt van hardheid. Geen goed woord voor de 'oudste zonen' dus in deze tijd.

Echter, in mijn kinderjaren waren er mensen die aan de oudste zoon trachtten recht te doen. Aan de woorden van de vader 'al het mijne is uwe' werd niets afgedaan. Maar de laatste tientallen jaren zien wij dat de oudste zoon totaal veroordeeld wordt, hetgeen de Heere Zelf niet deed. Het is onjuist om deze gelijkenis, die een beeld geeft uit het volle leven, te vervormen tot een schema. Als we dit doen, dan wordt de vader ten onrechte aan God gelijkgesteld. Dat kan niet, want een mens is God niet. De vader in de gelijkenis is geen volmaakte vader, zien wij. Immers, terwijl het feestgedruis al tot in de omtrek te horen is, weet de oudste zoon nog altijd van niets; hij is niet ingelicht over de terugkomst van zijn broer. Dat is niet fraai. Ten onrechte vaart de oudste zoon zo hevig uit tegen zijn vader. Maar niemand kan beweren dat hij jaloers of afgunstig is op zijn jongere broer zoals bij voorbeeld Kaïn. De oudste zoon geeft alleen uiting aan zijn afkeer van het feest, want dat is hem even teveel van het goede.

De oudste zoon was goed om thuis te werken, altijd werken, en dat is niet vreemd, bovendien is hij de erfgenaam van heel de hoeve. Maar toch knaagt het wel aan een werkzame jongen zoals hij, dat hij alleen maar werken moest, en dat er aan hem nooit of te nimmer tijd is gegund om een maaltijd te houden met zijn vrienden. De oudste zegt niet dat hij vanwege zijn ononderbroken trouwe arbeid een feest verdiend heeft, maar hij constateert dat zijn vader hem nog nooit zo'n gelegenheid gegeven heeft, als een verrassend gebaar. De oudste zoon is geen zuurpruim die afkerig zou staan tegenover vreugde en vrolijkheid op zichzelf, maar hij schaamt zich voor dit uitbundige, want dat kan hij niet plaatsen tegen de achtergrond van de ingetogen boerengewoonte thuis.

De oudste zoon is niet slecht voor zijn broer, want hij zegt niet dat zijn broer geen goede verzorging nodig heeft nu hij totaal verarmd thuis aangekomen is. Dat hij honger heeft en eten moet krijgen is duidelijk, daar twijfelt de oudste zoon helemaal niet aan. Welke Jood zou immers zijn huisgenoten nou laten verkommeren? Niemand toch, want anders zou je erger zijn dan een ongelovige. Dit is niet het geval. Maar de vader doet nu de nodige moeite om zijn oudste zoon ervan te overtuigen dat het feest hem ook aangaat, omdat hij de erfgenaam is van alles. Hieruit blijkt dat de vader toch ook zijn oudste zoon wel hartelijk liefheeft. Hij laat hem niet als een moeilijke klant buitenstaan bij deze gelegenheid. Zo groot is toch de liefde van het vaderhart. Wat een ontdekking voor mensen onderling. Hebben wij hierin reeds de liefde Gods ontdekt en gesmaakt? De oudste zoon moet in de blijdschap delen omdat zijn vader toch liefdevol is. Het leek dat zijn vader niet veel om hem gaf, dacht hij eerst. God zorgt ook dat er mensen zijn die ontdekken Wie de Vader is. Hij geeft lessen die de zielen wijzer maken. Gods volk merkt op dat zij van hun God ook nader onderwijs ontvangen in nieuwe omstandigheden waarmee zij verlegen zijn.

Wij zouden graag de afloop weten. Is de oudste zoon buiten blijven staan? Het is niet te verwachten dat de aandrang van de vader hem niets heeft gedaan. Al het bezit van de vader is immers van de oudste zoon, zelfs de jongere broer behoort vanaf heden weer bij de boerderij. Bovendien, ook in de beide voorgaande gelijkenissen is sprake van hereniging. Het staat in de tekst niet te lezen dat de oudste zoon is blijven weigeren. We horen niet verder van hem, net zo min als we nog van Jona horen aan het slot van Jona 4. We krijgen daar ook niet te horen hoe de profeet gereageerd heeft. Het gebeurt vaker dat de afloop van gesprekken en gelijkenissen ons niet wordt medegedeeld. Wij weten immers ook niet hoe het verder is gegaan met de rijke jongeling, of met die man die niet ver van het Koninkrijk Gods was. We lezen ook niet altijd hoe Gods geoefende volk verder geleid wordt. Wel lezen wij dat er liefde naar deze mensen uitgaat van de zijde van Christus. En dat moet ons hart innemen. De Heere versterkt de banden die Hij gelegd heeft. Dan wordt het hart dat van droefheid versmolt, bemoedigd. Dan worden onze wegen gericht om Gods geboden te bewaren. En dan krijgen wij daar, na droefheid, ook vreugde in. God zorgt er zelf voor dat mensen die door genade deel hebben aan de hemelse schatten, zich ook samen met Zijn erfdeel blij gaan beroemen. Wat heeft de Heere een werk aan ons, en wat is Hij geduldig om alles wel te maken. Wie zijn wij dat Hij, soms na lang geduld, overkomt? Wie zijn wij dat Hij aan ons werkt, en dat Hij steeds met ons te maken wil hebben?

Het is -daarentegen- opvallend dat het hedendaagse christendom zeer afwijzend staat tegenover de oudste zoon. Waarom? We begrijpen hem niet. De liefde van de vader tot de oudste zoon, zoals de Bijbel die tekent, is door veel Bijbellezers veranderd in afwijzing. Zij schrijven de oudste zoon definitief af als een spelbreker. En gesteld dat hij op vaders aandrang toch in de blijdschap is gaan delen, dan nog houdt de oudste zoon een verachtelijke plaats in de hedendaagse opinie, lijkt wel. Zijn naam wordt verachtelijk beplakt met etiketten van: dogmatisch, star, fundamenteel, stijf, extreem en zo. Het verlichte kerkendom van onze eeuw heeft liever te maken met dwepers, dwaallichten, chaoten en geestdrijvers die onder de christelijke ban liggen. Maar de ware liefde, die uit God is, handelt niet lichtvaardig ten aanzien van bekeerlingen. De oppervlakkigen kennen geen gewetensvragen, zij regelen de waarheid met hun meerderheid, maar Gods volk staat, vaak onbegrepen en ook innerlijk geblokkeerd, moederziel alleen op het erf van het verbond. Moet het nu zo gaan? Dan komt God Zelf met Zijn Woord mee, om u over te nemen in Christus en om u voort te leiden. En de uitkomst is heerlijk. Is niet heel de Schrift één met de grond van het bestaan? Is de Heere niet Zelf het antwoord op duizend vragen, en op die ene onoplosbare vraag die u kwelt? De Heere ziet om naar verloren zonen, maar Hij vergeet daarbij niet om te arbeiden aan de voorbeeldige Godvrezenden, dat zijn: oudste zonen, bij wie de Heere wil volmaken hetgeen nog aan hun geloof ontbreekt. Types als de 'oudste zonen' zullen blijvend tot zegen zijn voor vele 'jongste zonen', want die zullen gezegend worden met houvast aan het erfdeel onder het gezag van hun 'oudste broer'. In de oudste zien wij de Christus der Schriften. Christus werkt ook nu door de dienaren van Zijn Woord, om ons allen te brengen tot geloofskennis en tot volwassenheid naar de maat van Hemzelf. Verder: de 'oudste' is zichtbaar in de gevestigde landskerk, die de voortgang van de normale eredienst behartigt, opdat de bedrukte eenling daarbij mag schuilen. God geve aan Israël bekering, en aan de volkeren het leven. Lezers, wij wensen ook dit, namelijk uw levendmaking, en uw volmaking. Onbegrepen erfgenamen des levens, Jezus Christus maakt u sterk en gezond in het geloof. Dat zij zo.


Lees verder...

vrijdag 24 oktober 2008

DE GELOOFSDAAD VAN RACHAB

In het Woord van God staat een rijk en ontwijfelbaar goed getuigenis van Rachab, de hoer in Jericho. Jericho was de Kanaänitische stad die het eerst door het volk Israël eroverd moest worden. De stad zou met de grond gelijk gemaakt worden en verbannen. Niemand van de Israëlieten mocht er een gram goud of zilver als buit uit meenemen. Een preekschets over Jozua 2: 1 - 24.

Toen het Israëlitische leger nog twintig kilometer had te gaan, zond Jozua, de aanvoerder van het volk, twee verspieders vooruit om Jericho's ligging te doorzien, en om verslag uit te brengen van wat hun opgevallen was in de omgeving. Tegen het vallen van de avond kwamen de twee spionnen in Jericho. Zij stapten binnen in een herberg die wat boven de meeste huizen uitsteekt. De herberg staat half ingebouwd op de stadsmuur vlakbij de poort. In een herberg kom je allerlei mensen tegen van binnen en buiten de stad, daar zijn de meeste verhalen te horen, je vangt er belangrijke geluiden op. Spionnen proberen om zelf niet op te vallen, en toch zoveel mogelijk te weten te komen.

Doch alles loopt anders dan verwacht. Rachab, de vrouw die daar de herberg houdt, is uiterst vlug van begrip, begrijpt meteen wat voor gasten deze twee zijn. Zij ziet dat zij te vertrouwen zijn, en dat zij in levensgevaar zijn, daarom moeten zij meteen verstopt worden. Rachab handelt doortastend, zij brengt hen bovenop het platte dak van de herberg, en zij wijst hun een plek onder de vlasstoppels die daar liggen te drogen. Misschien had Rachab zelf een akker waar zij vlas verbouwde.

Wie is Rachab? Als we letten op Jericho als geheel, dan is het een stad vol ongerechtigheid, afgoderij en venijngeving, zoals alle steden in die tijd, en Rachab deelde in het leven van haar volk. Zij houdt een herberg, en zij is tevens een publieke vrouw, een hoer. Dat is te zien aan een rood scharlaken snoer dat aan de deurpost van de herberg hangt. In alle steden in die tijd is een herberg meteen ook het huis van een hoer. Ongetwijfeld bezit zij een grote mate van mensenkennis. Er is weinig wat haar ontgaat. Een vrouw zoals Rachab had speciaal de taak om geheime berichten te weten te komen. In gezelschap van bezoekers houdt zij altijd de voelhorens uitgestoken. Voorheen meldde zij het meteen bij de koning van Jericho, als haar iets verdachts opviel. Maar de laatste tijd is haar opgevallen dat het gevaar voor Jericho in Jericho zelf aanwezig is. Het is haar opgevallen dat haar eigen volk niet meer normaal reageert op tegenstanders. Het is voor haar een overtuigend bewijs dat Jericho niet meer te redden is in dit geval, nu het volk van de HEERE, de God van hemel en aarde, in aantocht is. Het gerucht gaat al zo lang, en heel Jericho bééft ervan. Rachab weet dat Israël in aantocht is, en dat God beloofd heeft om het land Kanaän hun in bezit te geven.

Wat is het verschil tussen Rachab en haar stadgenoten? Rachab wéét veel, zij let op mensen, hoe zij reageren. De andere mensen in Jericho hebben wel geruchten vernomen die hun de haren ten berge doen rijzen, maar het verschil is: Rachab weet in het geloof toe te passen wat zij bij gerucht vernomen heeft. En de anderen verharden zich. Één en hetzelfde bericht van de hemel is voor de uitverkorene een reuke des levens ten leven, terwijl het in de wind geslagen wordt door degenen die van het geloof schipbreuk lijden. En dat ziet Rachab gebeuren bij de inwoners van Jericho en omgeving. Zij geloven niet, zij treden niet handelend op in het dodelijkste tijdsgewricht, om het vege lijf te redden, zoals het voor een levend mens normaal is om te reageren, maar -integendeel:- zij hebben zich verkocht aan hun eigen systeem van beheersing, registratie en zelfcontrole. Voorheen gingen de signalen voor de veiligheid van de herberg uit, dat wordt nu gemist, maar geen nood, want er is totaalcontrole voor in de plaats gekomen. De koning van Jericho beroemt zich er op dat men zo gauw in de gaten heeft dat er in de herberg verdachte personen zijn. Er is geen einde aan het beheersen van de beheersing. Dit soort dingen zijn tekenen van dieper verval. Het is erg wanneer bij een volk de normale kaders wegvallen. Rachab ziet dat het gevaar zich genesteld heeft in de geest van haar eigen volk. Niet alleen het onderlinge vertrouwen is er verdwenen, maar eveneens de daadkracht. Daarom is de wereld vol verdachtmakingen die geen redding kunnen aanbrengen. Doch Rachab is door het geloof behouden, dat is door de daad waaruit bleek dat zij aanspraak gemaakt heeft op levensverlenging en verlenging van dagen voor haarzelf, haar familie, dus voor een rest van Jericho. Véél dikke boeken zal Rachab niet gelezen hebben, maar wat zij gehoord had bracht geloof voort. Er zijn mensen die wel veel lezen en toch niet geloven, die verharden zich. Onderschat het niet.

De inwoners van Jericho, en vooral de koning, putten zich uit in het nemen van veiligheidsmaatregelen; geen systeem laten zij onbeproefd, en toch is het altijd nog ontoereikend. Hun enige oplossing is altijd: nog meer controle over onszelf. Als wij onze eigen burgerij maar onder controle krijgen, dan kan de tegenstander ons niets doen. De ongehoorzamen zijn het bangst voor zichzelf, zij lopen met sombere gedachte rond dat het grootste gevaar in henzelf zit. Vandaar dat alle kaarten gezet worden op totaalbeheersing. De ongelovigen komen gewoonlijk door angst voor zichzelf in een hoek terecht, en menen daarmee een Gode welgevallig werk te verrichten, doch het is ongehoorzaamheid. Rachab was op haar redding bedacht, zij liet zich niet daarvan afhouden, al ging het door de onmogelijkheid heen.

Ongehoorzaamheid is zonde. God haat dit in Jericho en in Israël en overal. Veertig jaar eerder hadden de Israëlieten het aan hun ongeloof te wijten gehad dat zij vanaf de grenzen van Kanaän weer terug moesten, de woestijn in. God wilde dat het volk niet zou vrezen voor reuzen, maar zij moesten doortastend handelen. Het ongeloof van Jericho is dat zij niet handelend optreden. Heel hun reactie was een krachteloze angstdaad, waaruit slechts verharding sprak. Het leven was kennelijk al weggeweken uit Jericho. God haat de geest van het ongeloof. De mensen van Jericho handelden puur ongestructureerd vanuit een overheersend angstmotief. Zij probeerden wel het gevaar onder controle te houden, maar zij deden niets om hun leven te redden. Dan waren de Gibeonieten, even later, toch heel anders. De mannen van de stad Gibeon verkleedden zich als reizigers uit een ver land, hingen een mooi verhaal op, en sloten een verbond met Israël. Hoewel Israël er kwaad aan deed om zo naïef te werk te gaan, betekende het voor de Gibeonieten behoud van hun leven. Daar spreekt toch gehoorzaamheid uit. Het behoort de mensen voor ogen te staan dat door de zonde het kwaad al ten volle over ons besloten is, en dan is er slechts één manier van ontkoming. Geloof in de Heere Jezus Christus. De kennis van God en van Zijn genade moet reeds aan Rachab geschonken zijn geweest, zij moet de stem van God al vernomen hebben tot levendmaking. Zij zag dat God gelijk heeft, en kreeg kennis aan het verbond en het bloed des verbonds. Hierdoor behield zij haar waardigheid. Zij is vrijmoedig in het geloof. Haar daad loopt uit op een verlenging van dagen voor haarzelf en haar familie. Het geloof is als een zuurdesem, het werkt door.

De geloofsdaad staat centraal. Door het geloof komen wij weer tot de daad: weldadigheid bewijzen en behoud zoeken. Wie niet doet, gelooft niet. Het ongeloof levert wassen beelden op, die een sprekende overeenkomst vertonen met het echte, maar het doen ontbreekt. De schijnvrede van het ongeloof staat tegenover het zoeken van de vrede. Een begenadigde is herkenbaar aan een rechtstreekse daad. De daad van het geloof is niet ingewikkeld. De levende God haat de zonde, het ongeloof is Hem een gruwel. Wanneer Hij met een mens worstelt, verlangt Hij dat de mens Hem niet laat gaan. Alleen de God Die ons in het gericht betrekt, kan ons zegenen. Door het geloof verkreeg Jakob een zegen. Het geloof is de rechtuitgaande daad, waardoor God wordt aangegrepen bij Zijn Woord. God heeft de oprechten lief. Het geloof kan niet anders dan reddend zijn. Gaat het alleen om het belang van de zondaar? Nee, maar de Heere stelt Rachab's redding ook voor ogen aan ons, opdat wij haar handelwijze mogen verstaan vanuit de Middelaar Die voorgaat als de Voleinder des geloofs. Laten wij de genade van het geloof vasthouden, want daardoor is uw leven een dienend leven. Het is Gode aangenaam, want u dient Hem met eerbied en godsvrucht. Verlang de belofte om voor God te kunnen leven, gelovig te omhelzen. Als dit verlangen ontbreekt, is er ook geen ernst. Is er wel nood, blijf opzien tot de Geest des geloofs, en wees welgezind. De goedwillendheid is geloofsvrucht.

Wij zetten de overdenking voort over het geloofsgetuigenis van Rachab, de hoer, in Jericho. Door de gave van het geloof is alles veranderd. Rachab is van Christus geworden, en nu is er voor haar, net als voor elke wederomgeborene, een schijnwereld ondergegaan en een andere wereld opgekomen. Voorheen, in haar eertijds, was Rachab een oplettende vrouw, en dat is zij nog. Zij is het zelfs veel sterker dan voorheen, want zij heeft door bekering haar verstand teruggekregen met goddelijk licht bestraald. Nu oefent de Heere Zijn volk in het geloof. Rachab komt tot de daad des geloofs als zij de verspieders helpt. Wie was Rachab de hoer? Rachab was niet een totaal schaamteloze vrouw. Dat is zij in ieder geval niet, maar dat gold algemeen. Zelfs 45 jaar geleden had in Nederland een publieke vrouw nog altijd meer schaamte over zich dan thans een moderne huisvrouw die zich in deze tijd uitdagend vertoont op haar 'hyves'. Laten wij Rachab maar niet wegzetten, want dat zou onrecht zijn, bovendien: dan krijgen de gemoderniseerde nieuwe christenen, die van hun drek niet gewassen zijn, nog meer praatjes dan zij nu al hebben.

Voorheen zou Rachab allang stil alarm geslagen hebben, als er vijanden van haar volk binnen de gezichtkring kwamen. Maar nu is alles anders. Rachab voelt de kloof, zij is niet in staat om de koning van Jericho te overreden met nodigende woorden zoals Mijnheer koning, we moeten buigen voor de God van hemel en aarde. De genadetijd is voor Jericho's koning afgelopen. De zaak van God en van Zijn Sion wordt niet gewonnen met overredingskracht, noch met doortastendheid, maar door een list. Rachab brengt de koning op een dwaalspoor. Terecht! Want wie niet geloofd hebben, worden overgegeven aan de dwaling, en komen om in de duisternis die zij liever hebben gehad dan het ontdekkende licht. De koning is de dwaze bouwer die het Woord verneemt maar niet doet. Zijn huis stort in, de val is groot.

Rachab behoort tot de velen die getuigenis verworven hebben, zij is één van de ouden die een naam gekregen hebben in het Boek des levens des Lams. Rachab behoort nu tot de getuigen die samen als een grote wolk om ons heen liggen, als bemoedigende voorbeelden. Hun gedachtenis moedigt ons nu aan om met lijdzaamheid de loopbaan des geloofs te lopen, ziende op Jezus. Vanwege het geloof met hart en mond, lopen wij oprecht, en werpen wij in de weg der bekering de dingen van ons af die ons hinderen. Hierin is Rachab tot voorbeeld ook. Waarom staat Rachab in de rij der gelovigen? Het komt vanwege haar daad, dat zij de verspieders met vrede ontvangen had. Zij heeft de mannen met vrede begroet. Haar welkom, haar groet is: vrede zij u! De groet is heilig, het houdt alles in. Hiermee zegt Rachab meteen: Jullie kunnen in de herberg een plááts krijgen, gaan jullie maar naar het platte dak. Nadat zij gegeten en gedronken hebben, worden zij daar voor hun veiligheid te slapen gelegd en onder de vlasstoppels verstopt. Vrede betekent: de volmaakte goede houding zonder uitzondering of ontrouw.

Uit de daad van Rachab blijkt dat er in het doodse Jericho nog een ander Jericho is, het ware, rechtvaardige, oorspronkelijke Jericho komt in de geloofsdaad van Rachab weer tot uiting. Binnen de knellende doodscultuur van de ongehoorzame elite, die binnen Jericho door een massa gevolgd wordt, blijkt het zaad des geloofs werkzaam te zijn in een rest. Door de Geest des geloofs werd het hart van Rachab gereinigd, het leven is haar geschonken, en nu werkt de Heere in haar door. Hoe is het geloof in Jericho binnen gekomen? Net als op andere plaatsen, want het geloof komt door het gerucht. Binnen het gerucht van Gods verterende majesteit, beluistert Rachab het evangelie van Christus, en haar ogen zijn geopend om de weg des behouds te aanschouwen, maar dat niet alleen. Ze mag het doodvonnis ook onderschrijven voor haarzelf en voor haar volk, alleen met dit verschil, dat de wanhoop bij Rachab niet hinderlijk maar juist heilzaam is. Zij heeft geen moed nodig om te kunnen geloven, maar zij gelooft. Zogenaamde hoop en moed zijn soms maar obstakels op de weg des heils. De gelovige is zonder moed overgebleven, maar het geloof zelf is daadkracht overeenkomstig de uitwerking van Gods macht. Beter gezegd, waar het geloof is, daar is God zo blij dat Hij krachten tot behoud en tot bekering kan doen in Jericho, vanwege het leven dat in Christus geopenbaard en hersteld is.

Wat een eindeloos verschil is er met de ongelovigen. Het gerucht van de God van Israël, Die zowel boven in de hemelen als beneden op de aarde God is, kwam tot héél Jericho. Heel het volk en heel de kerk van Jericho horen en weten dat het laatste uur geslagen is, want God en Zijn volk zijn niet te stuiten. Maar de ongelovigen reageren hierop met contraspionage bij hun eigen volk en met stille informanten, een verfijnd veiligheidsnetwerk. Zij oefenen controle uit zonder dat zij erin geloven, in die controle. Er is in de verworpenen een geest van verharding, dat is het ongeloof der ongehoorzamen. Het kenmerk van het ongeloof is, dat het zonder daadkracht is. Het ongeloof put zich uit om de eer te verloochenen en om de eigen waardigheid af te leggen. Het ongeloof is een sprong in het duister, die toch geen rust brengt.

Wat heeft er bij Rachab plaatsgevonden in het begin van haar geloof? Elk mens moet bij de schouders gepakt worden, om stilgezet te worden, en om de weg des levens te kennen en te bewandelen. Wat is er met Rachab gebeurd? Rachab was in feite al niet meer echt één met de ongerechtigheid, de trends en de modes van haar stad, sinds het uur van Gods welbehagen had geslagen. Dat was toen zij het gerucht vernam, want toen kwam God erin mee om aan haar hart te arbeiden. Vanaf dat moment is Rachab een beginnende gelovige die van meet aan een rust uitstraalt, want zij kent de troost, en dat blijkt, want zij handelt vanuit het geloof. Je komt niet door wat te doen tot geloof, maar door het geloof doe je. Is Rachab nu al behouden of strijdt zij nog om in te gaan? Allebei, want dit behoeven we niet uit elkaar te trekken. Het is verder opmerkelijk dat Rachab zich verantwoordelijk weet. Zij toont verantwoordelijkheid te dragen voor alles, namelijk voor Gods eer, door Zijn deugden te belijden. Daarmee belijdt zij de grootte van haar ellende. Rachab zoekt door haar list de zegen voor het volk dat er aan komt, voor Israël, want zij gelooft dat uit Israël de zegen uitgaat. Rachab zoekt ook de zegen voor zichzelf en voor haar vaderhuis, waarmee zij onlosmakelijk verbonden is. Als ongehuwde vrouw behoort Rachab onder het gezag van haar vader. Rachab is een klassieke vrouw, want zij is medeverantwoordelijk voor zijn huis, en dit bewijst zij krachtig. Maar de moderne mensen zijn meer bezig met het 'redden' van de anonieme maatschappij, terwijl zij hun gezinnen en hun natuurlijke verwanten verwààrlozen. Doch Rachab is bezorgd voor haar huis, haar leven, haar bezit, haar eer, haar ziel en haar geloof. Zij is met zorg vervuld voor haar verwanten, voor een rest, om een overblijfsel uit Jericho, samen in het leven te behouden. Het is Gods beleid om zelfs een rest te bewaren, en dat wil Hij ook doen aan Israël. God bewaart nog een rest uit een rest.

Wat zal Rachab gedacht hebben over de woestijnperiode van Israël? Zij weet immers uit de berichten dat het grootste deel van het volk gestorven is in de woestijn. Welnu, als de HEERE Zijn volk zo zwaar kastijdt, wat wil dan een hoer uit Jericho verwachten?! Maar Rachab keert het om, zij ziet op de zegen die zij voor het overgebleven Israël zoekt, omdat het door de HEERE beloofd is. Nu zij Christus mag kennen en eren, nu verwacht zij dat God Zijn beloften voor héél Israël waarmaakt, dat betekent: ook voor haar, want er is maar één Israël, en dat zijn allen die in het geloof van Abraham delen. Wat is de kern toch eenvoudig. Eén ding is maar nodig. Ergens staat geschreven: In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen - en dat is niet alleen tot nut voor jezelf, maar ook voor het volk. Het vertrouwen is een reddende kracht, want als iemand het Woord hoort, en er komt geloof in mee, dan krijgt het vaak een uitwerking naar meerdere kanten tegelijk, en dan worden vaderhuizen en volksstammen verbonden met de heilsgeschiedenis, om te delen in Israëls heilgenot en in de rechte lofprijzing. Rachab schrijft niet al het volk van Jericho af dat nu goddeloos en ten dode opgeschreven is. Integendeel, er komt een ander volk, dat wel de HEERE dient, en doordat dit volk tot Rachab komt, en vervolgens Rachab voor dit volk begint op te komen, verstaat Rachab dat zij nu ook zelf aanspraak maakt op bescherming. Dit is de omwending van de geloofsvrede. Rachab is als de wijze bouwer, haar huis blijft staan, want wie het Woord hoort en doet heeft een onbedrieglijk fundament. Dit gaat niet buiten het geloof om, want Rachel vrààgt om genade en trouw. Het Woord kreeg weerklank bij haar door de Heilige Geest.

Rachab weet dat zij de gezanten van de allerhoogste Koning even goed kan vertrouwen als de HEERE. Rachab moet en mag de verspieders vertrouwen, want zij gaat af op het verbond. Het verbond kan niet wijken. Het verbond gaat Rachab aan, in deze zaak, nu er twee verspieders tot haar gekomen zijn. Deze zijn vertegenwoordigers, ambtsdragers. Rachab weet het, deze mannen moeten weer snel vertrekken, want het is onveilig binnen Jericho. Maar intussen vertrouwt Rachab haar leven, haar ziel en haar zaligheid aan deze ambtsdragers toe. Rachab is overtuigd van het oordeel dat rust op heel haar volk, waarmee zij één is. Rachab is geen verraadster, maar zij is wezenlijk één met haar volk onder het oordeel. In de bekering raakt u niet los van uw volk, maar bent u er juist meer mee verbonden dan tevoren. En daar komt dit bij: Rachab spreekt zeer overtuigd, en nuchter, over de genade en de redding. Een ziel buigt tegelijk onder het vonnis en de zegen Gods. Wij horen in de stem van Rachab de diepe blijdschap. Het verwondert haar: Vanwaar komen de dienaren mijns Heeren tot mij? Is het zo gelegen, dan gaat er kracht uit van God die tot ons nadert. Dit is het geheim en de levenskracht van al Gods geoefende volk. Van daaruit ontstaat de gegronde bede bij ons: Als Jericho valt, laat mij dan zeker, heel zeker niet omkomen, maar laat mij delen in de vrede, de zegen en de roeping. Wil Rachab een Jodin zijn? Het kan niet anders of zij is het al, wezenlijk. Maar zij wordt in de weg van de heilige orde voorlopig wel buiten het leger van Israël gesteld straks, als Jericho's muren gevallen zijn.

En toch behouden. Hoe? Door het geloof. Rachab spreekt niet: 'de' Heere God, of: 'de' Heere onze God, ook niet: 'mijn' God, maar Rachab zegt: ulieder God. En dat gelooft zij, dat wil zeggen: In het geloof baant zij zich een weg ter ontkoming voor haar en haar huis. Waarom ook haar vaderhuis? Wel, omdat God de God van hemel en aarde is. Hij is niet alleen de God van de gelovigen of de wedergeborenen, nog veel minder is Hij alleen maar de God van mensen die in het privé-leven 'positieve christenen' zijn. Maar God is de God van alle uitverkorenen die geroepen zijn, en die in Sion zijn ingelijfd. Zij zijn het gezegende zaad. Rachab vroeg om niet om te hoeven komen met Jericho, maar zij kreeg oneindig veel meer. Wie niet met deze wereld verdoemd wordt, krijgt namelijk ook behoud, leven, want u deelt bovendien in het leven van Christus uit de opstanding der doden. We moeten met Zijn verzoenende arbeid rekenen, om hoop te krijgen op behoud door het leven van Christus. Wie Hem wil zien, moet letten op de weg die God door Christus voor en met Rachab gaat.

Rachab is overtuigd van haar vonnis, maar zij gelooft met behoud van de waardigheid. Zij gooit de eer van haar zelf en van haar vaderhuis niet weg. Zij vlucht niet eens weg uit de stad, dat hoeft niet, maar zij heeft wel de bekering nodig. We behoeven niet te vluchten, maar we moeten ons wel laten corrigeren. Hoe zien we dat bij Rachab gebeuren? We zien dat het scharlaken koord nu dienst gaat doen als reddingskoord voor de verspieders, die met gebruik van deze ontsnappingsmethode naar beneden klimmen buiten de stadsmuur. Rachab heeft ontzaglijk veel liefde betoont voor het levensbehoud van de verspieders. Er moet aan Rachab véél vergeven zijn, want zij heeft véél lief. Rachab geloofde haar redding, en zij zocht haar behoud met zekerheid, vanwege het eeuwiggeldende verbond. Wie Gods volk op bezoek krijgt, die komt in aanraking met het verbond. Velen lezen de Bijbel wel, maar begrijpen hem niet en stellen daarom een commissie aan die een 'standpunt' moet 'onderbouwen'; dit is de methode van het ongeloof. Het ongeloof neemt geen beslissing zoals Rachab wel deed, het verwacht geen redding, en daarom is het ongehoorzaam. Verraden wij het volk dan, of geloven wij tot redding van onze ziel omdat het nu -met Gods gezanten bij ons in de buurt- de dag der zaligheid voor ons is?! Al wie slechts het verbond aanroert, zal in de beschutting delen vanwege Christus, het Hoofd van het verbond. Want over al wat heerlijk is zal een beschutting zijn. Hoe weten we dat?

Rachab geloofde de redding en alle overige weldaden van de HEERE, en zij werd niet alleen gered met haar vaderhuis, maar nog veel meer, want in de derde plaats werd zij ook een stammoeder van Christus. Dit betekent dat niet alleen haar vaderhuis, maar dat heel de Kerk samen met Rachab gered werd, want zij heeft de Weldoener voorgebracht, en zij mag door het geloof ook een 'moeder' zijn van Christus, Die Zelf alle dingen geschapen en uit het niet heeft voortgebracht, maar Die Zichzelf laat baren door de gelovige. Immers door het geloof wordt Christus beleden, en zichtbaar gemaakt, want de gelovige moeder in Christus roept tot de Zoon: Ontferm U, Heere! Rachab ontving de verspieders met vrede, en zij vertrouwde haar ziel toe aan deze mannen. Rachab is zegenrijk werkzaam tot hun lijfsbehoud, en daarom verwacht Rachab stellig het heil. Dat is geloof. De zekerheid des geloofs spreekt: Doe mij niet mee vergaan, sta voor ons in! Dit is trouwens de normale wedereis van het verbond, die Rachab hier van de verspieders vraagt. Wij moeten de boodschappers van Christus gebruiken in het heil dat zij te geef hebben. De mannen die tot Rachab kwamen zijn de ambtsdragers die de volmacht dragen, zij brengen het verbond naar de mensen toe. En het geloof ziet dat. Je ziet je er zalig aan. Of sluiten we ons hart voor elkaar toe? Wie het levenswoord verwerpt, verhardt zich tegen Gods volk en tegen God zelf, zoals de dwaze bouwer.

Een ongelovige kan geen liefhebber van Gods volk zijn. Een atheïst kan niet betrouwbaar en rechtvaardig zijn. Wel kan een volk lange tijd verdragen worden, en in de toom gehouden tot op de bekering die nog zal moeten plaatsvinden. Heel het leven is eredienst, de redding komt niet van binnenuit, maar het Woord krijgt ingang vanaf de grond van het bestaan. Het gaat van de dochter naar de vader, en zo moeten we het verder aan elkaar doorgeven, allereerst als ambtsdragers dus. Wat doen wij als wij huisbezoek krijgen? Verlangen wij dan een zegen in het geloof, niet twijfelende, omdat wij de dienaren van God in ons huis ontvangen hebben? Waarom komen Gods knechten tot u? Ziet u dat zij in deze kille, trouweloze eeuw bescherming nodig hebben. Gods dienaren zijn in gevaar, maar u beschermt hen in hun gevaren. Gods knechten zijn eenzaam, zij hebben te lijden onder aanvallen, maar u biedt hulp, en vervolgens verwacht u de redding voor uw leven, voor tijd en eeuwigheid. Staan wij zo in het leven? Wat is het Woord scherp maar eenvoudig. Wie weet waar de vrede ingang kan vinden in een kring van vrienden of studiegenoten. Maar dan gaat het wel eerlijk aan toe, want de trouw kan niet verborgen blijven. Wat uit het geloof is, zal blijken, te weten: in een weg van schrik, erkenning, kennis, met vrijmoedigheid, gebed en eedzwering. Dit is de orde van het heil zoals zij in gerechtigheid gekend wordt vanuit het heiligdom, het gezag, de eredienst, de volksvergadering, het vaderhuis en de binnenkamer.

Wanneer begon het geloof bij Rachab? Rachab gelooft als zij de verspieders met vrede ontvangt en vrede voor haarzelf begeert, tegen de twijfel en de onverschilligheid. Me dunkt, Rachabs geloof kwam in haar te wonen toen de verspieders binnen kwamen, en toen Rachab zag dat zij te vertrouwen waren. De verspieders droegen de ware vrede bij zich, en zij gingen in op de vrede-groet van Rachab bij hun binnenkomst in de herberg. Daar heeft Rachab de vrede ontvangen, de God des vredes is haar geopenbaard, terwijl zij en alle medeburgers in Jericho alles te vrezen hadden. Wat is het geloof? Dat Rachab de HEERE daar bij Zijn vredeswoord heeft aangegrepen. Rachab zegt niet dat zij in haar hart al begenadigd is, zij zegt ook niet dat zij gelooft, maar... zij gelooft, het is realiteit, omdat het niet anders kan. Ze ziet dat God is, en dat Hij een Beloner is dergenen die Hem zoeken. Als God werkt, dan is het onmogelijk om niet te geloven, niet te handelen en niet te volharden.

Wie niet gelooft is alrede veroordeeld. Velen lezen de Bijbel wel maar geloven toch niet. Ten onrechte onderwerpen zij het Woord aan de tijdgeest. In plaats van het Woord te horen, lenen mensen het oor aan eendagsmeningen. In plaats van de eeuwiggeldende gerechtigheid te eren, nemen mensen 'waarden' aan. In plaats van Israëls God te erkennen, vereren mensen de onbekende God, en zij beseffen niet dat zij met afgoderij bezig zijn. Dwaalgeesten beroemen zich er op dat zij niet weten Wie God is, daarom verschuilen zij zich in kunstmatig voorgeschreven Godsbeelden, wereldbeelden, mensbeelden en toekomstbeelden. Omdat de gerechtigheid niet in ere is, geven zij zich over aan bezinning. Vanwege het trouweloos breken van de geloofseed ontstaat een gevaarlijke leegte in de publieke zaak en kerk. Het fundament ontbreekt.

Een gevaarlijke trek van afgoderij dient zich aan doordat op zichzelf staande 'beginselen' en 'waarden' vereerd worden boven Christus Die de kroonrechten draagt voor het gekerstende volk. In onze nihilistische eeuw dreigen ideeën zich te belichamen in de figuur van de pseudo-religieuze leider die Christus afzweert en een valse ethiek invoert die gehoorzaamd moet worden. Wanneer waanideeën een goddelijke waarde krijgen toegediend, en wanneer zulke ideeën zich vastzetten in personen, dan wordt de mens vergoddelijkt. Dit is het proces van islamisering dat zich voltrekt binnen het verwaterde, hypergevoelige, naïeve kerkendom.

De hedendaagse massa gelooft niet in de Godsopenbaring vanuit de schepping en het Woord, maar zij geloven in bezinning, dat is in zichzelf. Hun kerkelijke kringen beschouwen zij als veilige eilanden in een ontheiligd heden. Als het ergens aan ontbreekt, dan is het aan het doen van gerechtigheid op aarde. Een gelovige is het echter rechtstreeks om God Zelf te doen. Rachab bezat geen Bijbel, maar zij vernam het gerucht. Daar komt het immers op aan. Dit is alles. Hoort! en uw ziel zal leven. Wie het Woord hoort en doet is als de wijze bouwer wiens huis blijft staan in het oordeel. Wie het Woord doet, die vlucht voor God naar God toe. Alleen de God Die ons oordeelt, kan ons zegenen. Komt in, gij gezegenden, en beërft het Koninkrijk.

Amen


Lees verder...

EEN GEDACHTE OVER RACHAB

Rachab werd door het geloof gered, zodat zij niet is omgekomen met de ongehoorzamen in Jericho. Kennelijk worden haar stadgenoten niet voor onwetenden, maar voor ongehoorzamen gerekend, omdat zij het gehoorde gerucht van God in de wind sloegen. Maar in Israël is het geloof niet aller. Sommigen hebben de kennis Gods niet, en het is niet vanzelfsprekend doch beschamend om dit te constateren. De donderslag der goddelozen zal verbondskinderen treffen.

Zowel geloof als ongeloof hebben een stil karakter. Het geloof wordt gewerkt in stilte, de zonde vindt ook in stilte plaats. In beide gevallen is de uitwerking opzienbarend. Wat Achan uit de stam van Juda betreft, hij staat tegenover Rachab uit Jericho. Het kwaad nestelde zich in het verborgene, en het woekert voort, totdat de kwade vis uit het visnet van het Koninkrijk wordt uitgeworpen.

In het hedendaagse volksleven is het verboden geworden om het verbond door wraak te herstellen. De schuld wordt verbloemd, en de boetvaardigheid ontbreekt, zodat de drempel om tot het leven in te gaan niet kan worden overschreden. Doordat anno 2008 de verbondswraak wordt nagelaten, blijft verbondsherstel achterwege, en raakt Nederland wederrechtelijk en onnodig dichtgeslibd. Dichtgeslibd met het vuil van afgoderij en ongerechtigheid, vervuilde grond, water en lucht. Godslasteraars en trouwelozen worden niet bestraft, doch geëerd door eedverzakende rechters, terwijl de rechtvaardigen daarentegen weinig kanten uit kunnen. Al het missionaire water van de zee wast niet af dat de baäldienst heersend is geworden, immers de supermachten van 'Dialoog' en 'Neutraliteit' staan tegenover Christus' kroonrechten en weerstaan Zijn heerschappij. De tolerantie-baäls verduisteren het ongeveinsde geloof en de goede zeden op aarde, want het geloof verdraagt zich niet met libertinisme. Het is een misvatting om te menen dat de kerkmensen in hun privé-leven de Heere 'nog' in 'vrijheid' mogen dienen bij de gratie van een modern gelijkheidssysteem dat zij zelf helpen in stand te houden ten koste van de gerechtigheid. Kerkmensen laten zich aanpraten dat zij profiteren van de 'vrijheid' die hun door de massa wordt gelaten. Nee, wij hebben geen godsdienstvrijheid, maar een godsdienstplicht. Want wij hebben de eed afgelegd voor de drieënige God alleen. Hij is onze Vrede. Boven de heerschappij van Christus bestaat slechts vijandschap, want wie niet met Christus vergadert, die is tegen Hem, en die verslindt de volkeren. De moderniteit heeft ons volk juist beroofd van zijn vrijheid. We worden gedwongen ons bezit af te geven, ons geloof in te leveren. Bovendien, de heersende moderniteit rust niet voordat het oude orthodoxe geloof uitgeroeid is. Nu zijn wij onder de anticontrôle van de moderniteit geplaatst, sinds 1968 maakt het atheïsme de dienst uit. Het is strafbaar om te straffen. Misdaad, opstand en ‘inspraak’ wordt beloond met subsidies en gedenktekens. Afgoderij, venijngeving en wangedrag nemen een hoge vlucht, en we kunnen altijd nog excuus aanbieden voor overlast, niet voor een wandaad zelf, want de verantwoordelijken zijn al vertrokken. Het barmhartigheidchristendom buigt het recht ten koste van de goede zeden. Nu ligt het verbond verbroken zolang als Nederland de verbondswraak veracht. Er is een ban in het leger, want God is van Zijn rechten beroofd. Maar wanneer God niet telt, dan is ook in het onderlinge menselijke verkeer alle onrecht mogelijk geworden. Wie zal dan zeggen wat absoluut geldig is?

Aangezien het Woord van God niet is uitgevallen, komt er op Gods tijd rechtsherstel. Het is onmogelijk dat Israël de rechtsgang achterwege laat. Stelt u zich voor dat God Zijn volk niet eerlijk zou behandelen, en dat Hij het kwaad niet zou laten ontdekken. Hoe zou er dan verlossing komen? Hoe zou de ban breken, en het juk afgenomen worden? Christus draagt een zwaard. Zijn Woord geeft kracht aan het zwaard en aan de stenen waarmee het kwaad wordt uitgeroeid. Het geloof dient niet om een volk te ruïneren en om het door ongerechtigheid krachteloos te maken tegenover zijn vijanden. Zonder geloofszekerheid zou het volk de oorlog niet kunnen voeren, en evenmin zich in de weg van boetvaardigheid weer kunnen oprichten uit de gebreken. God geeft in Christus een deur der hoop in het dal van Achor. Uit Christus' mond gaat het zwaard. Christus verleent aan het zwaard van Israël de kracht waardoor zij altijd aan de winnende hand zijn. Het werk moet voortgezet, Sions Vorst en volk zijn tot zegen voor de volkeren die het Israël Gods zegenen, maar de ongehoorzamen worden vermalen, wie zij ook zijn.


Lees verder...

ENKELE GEDACHTEN OVER DE VADER

In enkele leerdiensten heb ik stilgestaan bij het vaderschap, dat van God de Vader en dat van de man als vader. Hieronder enkele losse gedachten naar aanleiding van de gehouden preken.


De discipelen vroegen: leer ons bidden. Is bidden te leren? Ja, van Christus, en van degenen die Hij over ons gesteld heeft, dus van onze ouders, leraren, stamhoofden, opzieners en vorsten. Om Christus' wil wordt het gebed verhoord.

God is Vader. De Vader is Man. En de Man is Koning. God stelt ons verantwoordelijk. Wie God verloochent vermoordt ook de man. Op aarde blijft dan een manipuleerbare massamens zonder gezag over. Wie zijn ziel inlevert om heel de ideale wereld te winnen, onteert God en zichzelf. Wij moeten de Vader aanroepen. Waar is Hij? Een vader is te vinden in een vaderland. God heeft een vaderland, zowel hemels als aards, en Hij verdedigt dat. Wij verlangen om op aarde gewillig en getrouw te mogen zijn als de engelen in de hemel [zie ook: Zondag 49]. God is geen weerloze vader, maar Hij hoort, om te handelen, in te grijpen en te geven. Wie roepen er tot God? Christus en de gelovigen bidden in de geest en met het verstand. De Geest van het gebed leert ons roepen: Vader. Hierdoor wordt het kindschap van de bidders bevestigd. We leven voortdurend van gebed tot gebed en van avondmaal tot avondmaal. God leert ons bidden, en Hij leidt ons.

Hoe gaat dat? Als de vrede weg is uit uw ziel, dan is Christus er Die bidt, en dat wordt toegepast. Hoe? God komt over. Waar merkt u dat aan? Dat de Geest zelf in u bidt. Wat is dat? Dat betekent dat Hij u betrekt bij het gebed des Heeren. Christus wil dat wij bidden, en Hij bidt zelf, Hij is in ons gebed aanwezig. U ziet dat u ver van God verwijderd bent, nu moet de gebedsaanspraak van Christus aan ons toegepast worden, dan krijgen we begeerte om de woorden van Hem na te zeggen. God zorgt er Zelf voor dat er bidders zijn. Bent u er beschaamd mee uitgekomen als u ooit God de eer gaf? Of wilt u God niet God laten? Een recht geloof houdt in: God Vader te noemen omwille van Christus wanneer u betrokken raakt bij de voorbiddingen en dankzeggingen van Christus, Die telkens Zijn Vader op de voorgrond stelt, ook in het allervolmaaktste gebed.

De Vadernaam

Reeds bij de eerste bede van het Onze Vader - "Onze Vader die in de Hemelen zijt"- belijden wij dat wij onze nood voor de Heere neerleggen. Wie werkelijk graag van Christus hoort, bespeurt tegenover Hem een leegte, een onvolkomenheid bij zichzelf. Zonder de Wet zouden er bij een bidder helemaal geen behoeften bestaan. Wie zijn oor afwendt van naar de Wet te horen, diens gebed zelfs zal tot zonde zijn. De eerste bede raakt niet alleen ons gebrek aan rechte Godskennis, maar wij belijden ook te bidden om licht over al Gods werken, opdat wij Hem daarin de eer mogen geven die Hem toekomt. We moeten eerbiedig tot God naderen, maar dat betekent niet dat we onze eigen noden en zonden op de tweede plaats stellen. Immers bij de eerste drie beden van het Onze Vader zijn onze gebreken juist aan de orde, namelijk: resterende onkunde, gebrek aan onderworpenheid en gewilligheid. Het hele gebed komt op uit de bekering die, net als al onze kennis en gehoorzaamheid, ten dele is. We belijden dat er geen afstand bestaat tussen het noemen van onze eigen noden en zonden, en het aanbidden van God. In onze belijdenis halen we dit niet uit elkaar. Als wij tot God naderen in aanbidding omwille van Hemzelf, dan staat toch de aanbidding niet in een apart vakje voorop. Wie met de enige ware God te maken heeft, weet zich tot bekering geroepen. In het gebed roept u Hem dan aan, en verootmoedigt u zich, en bidt om ontferming, en dan zorgt God er voor dat de ziel tot aanbidding (dankzegging) komt vanwege de staatsverwisseling in Christus. Het is fout om de volgorde van gebed en aanbidding om te draaien. Immers wij belijden dat het gebed niet pas vanaf de vierde bede betrokken is op onze noden en zonden, maar al vanaf het begin.

De Vaderheerschappij

Het Koninkrijk is het paradijs, het is de volle heerschappij van God. Is het Koninkrijk van God wel of niet gekomen? De kracht van het Koninkrijk ligt in de eenheid, het samengevoegde hart, in ware Godsvreze neergebogen, om Zijn Naam te verhogen. Het is de eenheid van ziel en lichaam, van schepsel en verbond, van verleden en toekomst, van waarheid en gerechtigheid, van hemel en aarde. Wie zich bekeert, die ziet dat het Koninkrijk gekomen is, anders was er van bekering geen sprake. Echter wie bij zichzelf en in de wereld tot de ontdekking komt dat hij nog niet geheel onderworpen is aan God, die ziet -tegelijkertijd- dat het Koninkrijk nog niet gekomen is. Ook in de tweede bede belijden wij onze eigen nood en gebrek. Nu verstaan wij waarom wij deze bede uitspreken. God gaat door, Hij is vernieuwend bezig met degenen die Hij eerst heeft losgekocht uit de slavernij van de zonde. Als God Zijn toorn heeft afgelegd, en we tot Christus gekomen zijn, dan worden we een gebrek gewaar. Hoe dan? Er is wel lust tot bekering, vanwege de liefde, maar er is geen raad voorhanden. Nu ontvangt u vrijmoedigheid tot gebed. Het gebed is het verlengstuk van de bekering. Evenals de boetvaardigheid uit waar geloof geschiedt [zie: Zondag 33], zo komt ook het gebed op uit de geloofsvereniging met Christus, overeenkomstig het bevel van God, en tot Zijn eer. De gehoorzaamheid is door genade begonnen, maar er is een volkomenheid beloofd, waar wij reikhalzend naar uitzien. Wij zijn begerig om te horen van de beloften van Christus, en wij bespeuren een gebrek. Wie leeft uit de vergevende liefde van Christus, verlangt ook naar de verlossing. Krachtens de genade van de volharding verwachten wij dat het Koninkrijk tot ons zal komen, en naarmate het gekomen is, onderwerpen wij ons aan God.

Het vrome zaad van die op God betrouwden,
Zal door Zijn kracht Hem dienen, voor Hem leven.


Maar daar blijft het niet bij, want de verhoring van deze bede houdt in dat mensen, volkeren, dieren en alle machten ook onderworpen raken aan de Vader. Heil u, bidder, want die Man zal niet rusten voordat Hij alles voor u voleind zal hebben waar u naar uitziet.

De Vadermacht

Opnieuw belijden wij een gebrek aan volkomenheid. Wij en alle mensen verschillen nog van de engelen in de hemel. Gods kerk voelt dat de onwil de mensen tot opstandigheid kan brengen. De engelen gehoorzamen hartelijk, direct en zonder vragen te stellen. De trouw is het voornaamste en het begeerlijkste. De trouw is de basis, dan word je ook ijverig, nauwkeurig, correct en krachtig. Maar blinde ijver is nog niet hetzelfde als gewilligheid. Wij belijden dat wij in de derde bede vragen dat wij en alle mensen zelf gewillig mogen zijn. Niet willoos dus. Onze eigen wil verzaken is ook een zaak van willen. Het geloof zetelt immers in de wil. Geloof en bekering zijn onder meer herkenbaar aan het verlangen naar wilskracht. Christus neemt dit verlangen van Zijn volk op in het gebed dat Hij bij de Vader doet. In de gewilligheid ligt engelenkracht. Gods kerk heeft de gewilligheid lief, want: de oprechten hebben God lief. Bidder, leef van het gebed dat Christus voorbidt. God geeft hoop en verwachting op de gebedswoorden die Hij schonk. Lieve Heere.


Lees verder...

VOORWAARDELIJK GELOOF?

Als Gods volk er voor kiest om de HEERE te verwerpen, dan zouden zij heel veel religieuze kanten uit kunnen. Eén van de afgoden van onze tijd is: de onbekende god. De massa gelooft in 'iets', dat is een nieuwe afgod. Het voorgeslacht is belangrijk, want door middel van het onderwijs van vaders en moeders leren kinderen zich te houden aan de oude waarheid. Zelfbeschikkingsrecht betekent niet: je eigen gedragsregels verzinnen, maar het betekent: jezelf te houden bij de bestaande, bindende regel, die er al was voordat de ouden geboren waren. Er is geen grond de keuze uit te stellen, ziende op het verbond.

Wie Jozua 24 leest, ziet dat iemand als de Richter Jozua geen ruimte laat voor de gedachte dat behoud altijd nog mogelijk is als je eerst een tijdje in de goot gelegen hebt, zoals veel gesuggereerd wordt. Jozua laat geen ruimte voor vrijblijvendheid. Tegenwoordig wordt de afvallige, die voor de afgodische wereld kiest, in het kerkendom hoger aangeslagen dan de rechtvaardige die staat voor het geloof dat aan de vaderen is overgeleverd. Immers deze rechtvaardige wordt anno 2008 al gauw weggezet als een opgepoetste gewoontechristen die maar nutteloos bezig is buiten de geloofsvereniging met Christus. Hedendaagse opwekkingspredikers wekken met hun woorden en voorbeelden de verkeerde indruk dat Christus niet omkijkt naar kerkelijk meelevende nageslachten. Voor afgedwaalde mensen is er zeker hoop, maar niet voor de 'harde' kerk, zegt men, want de kerk staat niet snel genoeg gereed om in elke afvallige een potentiële bekeerling te zien. Ten onrechte wordt het waakzame volk afgeschilderd als achterdochtig. Neo-evangelicale predikers wekken de indruk dat er voor normale kerkgangers in elk geval minder hoop is dan voor mensen die in de goot liggen. Hierdoor neemt het verzet tegen de weerhoudende werking van de Wet toe. Immers eerst, zegt men, moeten de vroomheid en het fatsoen zich van binnenuit openbaren. Ten onrechte wordt hierdoor de verkondiging van Christus beperkt tot grove zondaren. Hierdoor wordt een zekere ruimte geschonken aan een leven in onverschilligheid zolang mensen niet met Christus verenigd zijn in het geloof. De weerhoudende werking van de Wet over de onbekeerden valt eigenlijk weg. Ten onrechte wordt verondersteld dat mensen met een 'eerlijk' onverschillig leven minder afgesloten zouden zijn voor de ontvangst van ware genade. Een nieuwe voorwaardenleer doet hiermee intrede. Niet de gerechtigheid, maar de ongerechtigheid is nu een pré geworden. In plaats van de voorafgaande weg (de overtuiging der Wet) wordt heimelijk een eigenwillige weg (van goddeloze 'eerlijkheid') aangewezen om de verdoemenis te ontwijken en het heil te bereiken. Het is duidelijk dat Jozua over zijn nageslacht anders spreekt.

Jozua verbindt geen voorwaarden aan de keus die hij maakt voor zijn nageslacht, want in de nood ziet hij op het bloed des verbonds. Het gebod is hem tot steun, want bij de HEERE is geen verandering of schaduw van ommekeer. Wat rijk om alles te verwachten van het nageslacht, want afval is abnormaal. Nu moet het volk ook kiezen voor zichzelf, want Jozua is geen koning maar huisvader. Niet Jozua bepaalt de dienst, niet hij denkt voor het volk. Het volk zal zelf belijden dat zij zich gedragen zullen naar het voorgegeven verbond. Hoewel zij maar half weten wat zij belijden, wordt het verbond wel bevestigd. De opgerichte steen zal dienen tot getuigenis. Wie weet hoeveel mensen er later overtuigd zijn geworden van hun overtreding, en uit genade verlost, ziende op Christus. De reis is niet twijfelachtig, maar het einddoel is zeker.

Het nageslacht is ook belangrijk omdat de Heere vaak de kinderen gebruikt om de vaderen tot inkeer te brengen. De Heere zal de harten der vaderen terugbrengen tot de kinderen, dat is verootmoedigend en troostrijk in de toestand van moedeloosheid waarin veel ouderen verkeren. Menige oudere is door middel van een kind ontdekt aan een kromme weg, en daar door de Heere van afgebracht, om te mogen delen in Gods gunst, met vrijmoedigheid. Maar ook verdrukkingen zullen het deel zijn van allen die godzalig leven. De Heere gebruikt jonge mensen om de zielen van oude, bezwijkende discipelen tot steun te zijn in het strijdperk. De Wet behoort bij de bevestiging van het verbond.


Lees verder...

dinsdag 23 september 2008

DE DOOP

Wie niet bij God begint, komt niet bij God uit. Wie iets van de doop afdoet, verduistert het leven, en neemt de vreugde weg. De eed van trouw behoort bij het scheppingsleven zelf. Er is geen mens die niet gedoopt behoeft te zijn, want iedere aardbewoner is lid van de schepping, en dat wordt gekend vanuit de doop. God handhaaft Zijn recht op ons, wij mogen niet de schepping ontheiligen, door deze van de kennis van God los te koppelen. Een kind is niet zonder Godskennis, want wij kennen God allereerst vanuit de scheppingsorde die ons ingeschapen is. Niet de schepping, maar de mens is in zonde gevallen. Mensen hebben niet het recht om vanuit atheïstisch bijgeloof het goede te gaan betwijfelen, het recht als afgedaan te beschouwen, de trouw te verzaken, de eed na te laten, en de levensgrenzen af te breken.

God heeft uit bijzondere zorg voor onze redding ons Zijn Woord geschonken. Atheïsten en cultuur-vernieuwers zijn ontrouw aan het goede. Zij verzinnen uitvluchten om het Woord te misbruiken. Hoe? Zonder geïnteresseerd te zijn in het antwoord, vragen zij: Wie zegt wat normaal is? En: Het is toch jòuw leven... Atheïsten wenden voor dat zij de Bijbel kunnen vertalen zonder liefde tot God. Ongelovigen misbruiken de Bijbel om de oude orde om te keren. In hun ogen moet het wiel nog uitgevonden worden. In hun ogen is het goede afwezig in de scheppingsorde, daarom geven zij zichzelf volle armslag om een 'betere' wereld te creëren waarin de oude orde verleden tijd is. In onze dagen worden nieuwe 'waarden' tot leus verheven buiten de normale kaders om. Oude begrippen zoals respect, liefde, samenhang, gelijkheid, verdraagzaamheid, zelf-beschikking, mondigheid en vooruitgang, krijgen nu een heel nieuwe, vreemde inhoud. En nu moeten jonge kinderen op last van de maatschappij klaargestoomd worden voor het burgerschap in een gemoderniseerde ideale maatschappij die zich open opstelt. Ieder wordt erop getraind om het oude gezag te loochenen, en om de moderniteit te aanvaarden en tot norm te verheffen. Het is verboden geworden om de orde te geloven, en de aanwezigheid van God in de grondslag van ons bestaan. Al hun gedachten zijn dat er geen God is. Echter buiten de oude orde om, roepen de nieuwe 'idealen' en 'waarden' slechts vijandschap op, en minachting voor degene die niet vóór zich láát denken. Geliefden, gelooft niet een iegelijke geest, de duivel heeft steeds wat nieuws. God geve u geloof, wijsheid, liefde en waakzaamheid.

Hoe kunnen wij dit opbrengen? Zal God u dan niet helpen?! Als mensen zullen wij ons kind elke dag helpen in alles wat het in aardse dingen behoeft. Zal de hemelse Vader dan niet des te meer Zijn hulp zenden?! Hij Die volmaakt is, zal Zijn Geest geven aan degenen die Hem bidden. Het ja-woord is meteen een erkenning naar God toe: ja, Heere, U helpt. Er zou van het ja-woord niets terecht komen anders. Maar het ja-woord betekent: ja, de Heere zal helpen. Hij verbindt de kinderen aan Zijn Koninkrijk. Haast u om uw roeping en verkiezing vast te maken, dan zult u niet struikelen, maar rust vinden in de eenvoud van het leven. Bij het volle werk van de Heere hebben wij geen nieuwe dingen te verzinnen, maar we hebben alleen het ja-woord uit te spreken, en dat ja-woord is iets dat Hij uit ons tevoorschijn brengt, want al Zijn werken zullen Hem prijzen. In de huisgezinnen is de godzaligheid een groot gewin met vergenoeging.

Wie zijn kind dus ten doop houdt, begeert een goede zaak. Bij het beantwoorden van de doopvragen geeft men met een eed te kennen dat men een goede zaak hebt gevonden en dat men met zijn en haar kind een welgevallen trekt van de HEERE. De eed van trouw heeft alle dingen doortrokken. De bediening van de doop staat niet buiten ons, want niemand mag zijn kind ten doop houden zonder het stuk van de doop voor zijn rekening te nemen. Wat belijden wij met het jawoord? Men zegt ermee dat u gelooft dat de kinderen in zonde en ellende geboren zijn, en dat men onderwezen wordt dat de kinderen in Christus geheiligd zijn. Ook heeft men met zijn en haar ja-woord aangegeven dat men het onderwijs uit Gods Woord en getuigenis gehoord hebt. Het Woord van God is zonder twijfel. Alles wat God spreekt, dat doet Hij met een eed. Daarom draagt onze plicht, om het kind op te voeden, ook een heilig karakter. De ouders belijden met het ja-woord dat ze geloven dat de Heere de kinderen laat onderwijzen, en dat Hij Zelf wil invloeien in onze harten. Ze belijden dat Hij aan hen de wijsheid geven zal om hun kind, waar nodig, te corrigeren, en om henzelf in acht te nemen, opdat u henzelf en hun kinderen die uw uitvoerige onderwijs genieten, tot zegen en tot behoud mag zijn. Zij zullen hun kind dus, naar vermogen, behulpzaam moeten zijn in het onderwijs van de doop, en zo zal het kind Gods helpende hand ondervinden.

Ds. H. Oussoren



Lees verder...

PROFESSOR POSTHUMUS MEYJES OVERLEDEN

Op 24 juli 2008 overleed in Oegstgeest mijn vroegere hoogleraar Kerk- en Dogmengeschiedenis Guillaume Henri Marie Posthumus Meyjes, op 81-jarige leeftijd. Op 29 juli is hij begraven bij het Groene Kerkje van Oegstgeest. Vorig jaar schreef hij me dat hij door een beroerte getroffen was.

Het laatste wat professor Posthumus Meyjes na zijn emeritaat nog heeft kunnen voltooien, is de publicatie van de acta van de Waalse synode. Hij was een man die gezag uitstraalde, maar hij trad niet sterk op de voorgrond. Stil kwam hij de collegezaal binnen, en dan wàs het in de zaal ook stil. Hij bezat de gave om aan het begin van elk college een rake samenvatting te geven van de vorige les. Dat werd geen bloemlezing uit het vorige college, maar een echte samenvatting in nieuwe zinnen. Extra verhelderend. Geen student ontkwam aan de eis om studie te maken van dingen zoals de middeleeuwse kerkbelastingen. Wanneer iemand al meende dat iets dergelijks voor 'ons' in 'deze tijd' niet meer relevant is, dan kon je er op rekenen voor het tentamen te zakken. Maar het was ook zijn gewoonte om half december aan de studenten een kerstpreek te overhandigen van Maarten Luther over Jesaja 9: 5: "en de heerschappij is op Zijn schouder". Je voelde dat Posthumus Meyjes de studenten iets wilde meegeven. Zelf bezat hij ook preekbevoegdheid. Posthumus Meyjes preekte eens in Kameroen voor inheemse studenten over de storm op het meer van Galilea. Als leidraad voor zijn preek nam hij de uitleg van Luther over, waarin centraal staat dat er pas storm opsteekt zodra Christus in het schip is gekomen, en niet voordien. Opvallend was dat de Afrikaanse studenten die keer de woorden indronken. Er werd door hun blijk gegeven van herkenning, en dat terwijl deze boodschap haaks stond op de gangbare moderne mening dat Christus garant staat voor een zachte voorzienigheid van vrede en geen gevaar. Het viel Posthumus Meyjes in Kameroen op dat de 'hardere' boodschap door de studenten goed ontvangen werd, doch een gemoderniseerd evangelie vond minder aftrek, bemerkte hij. Middenorthodoxe praatjes landen niet bij ongemoderniseerde mensen.

Posthumus Meyjes voelde zich op het vlak van de kerkgeschiedenis speciaal aangetrokken door de 17e eeuwse 'irenisten', terwijl hij theologisch onder indruk was van de predikarbeid van mannen zoals dr. K.H. Miskotte (1894-1976) en de Duitse dr. Hans Joachim Iwand.

Als geleerde was Posthumus Meyjes een autoriteit. Je kon veel van hem leren, maar er golden ook hoge eisen; bij voorbeeld het student-assistentschap voor Kerkgeschiedenis Middeleeuwen en Reformatie was alleen verkrijgbaar voor wie naast behoorlijke studieresultaten ook goede kennis van de Franse taal aan de dag kon leggen. Zelf was Posthumus Meyjes ere-doctor van de universiteit van Genève.

Ik bewaar, vanuit de jaren-'80, bijzondere herinneringen aan de overledene. Posthumus Meyjes ging overtuigd maar stil zijn gang, hij behoefde geen moeite te doen om zich te presenteren, want hij was er al. Een man met ingehouden kracht, maar voor wie hem wat nader leerde kennen, verborg hij zijn innerlijk niet. Tijdens ontmoetingen met Posthumus Meyjes merkte je echt goede dingen bij hem. Er was wel eens een delen van de blijdschap des HEEREN met elkaar. Soms, tijdens een gesprek, was er dan een heilig lachen. Precies hetzelfde had ik eerder ontmoet bij een oudere boerenarbeider in het dorp waar ik ben opgegroeid. Een zekere overeenkomst tussen de zeergeleerde professor en de belezen daggelder bestaat. Bij zulke mensen is het dat je, in de geest, samen kunt genieten, samen een heilig vermaak vinden in de dingen. Het geloof heeft een volkomen zekerheid, het ligt niet naast de wetenschap, maar erin. Er waren ogenblikken dat de leerstof open ging, en als het andere dan wegviel, dan was het goed. In gedachten plaats ik de hooggeleerde naast de daggelder, en ik zie met weemoed terug op zulke levens met hun ingekeerde kracht, om het maar te zeggen met een regel uit een Staphorster gedicht.

Posthumus Meyjes stamde uit een overtuigd confessioneel predikantengeslacht dat invloed van reveilvroomheid had ondergaan. Zijn grootvader was dr. E.J.W. Posthumus Meyjes (1871-1949), een bekende Haagse predikant, van wie het volgende te lezen staat in de levensbeschrijving van een latere oud gereformeerde predikant: "Ds. Posthumus Meyjes was een van de ernstigste. 's-Zaterdags in de bioscoop, doodsbenauwd, zat ik te verlangen naar de zondagochtend, naar ds. Posthumus Meyjes, een eerwaardige hervormde dominee, die in de grote kerk van Den Haag preekte. Dan luisterde ik: O God, hoe kom ik er ooit uit verlost; hoe kom ik ooit tot U bekeerd. Die scheiding tussen God en mijn ziel; o, dat verlangen om iets te horen. Van de helft van de woorden begreep ik niets, maar toch: iets te horen van God en Goddelijke zaken." [zie: E. du Marchie van Voorthuysen, In stilheid tot U, p. 19.]

In mijn studententijd had Posthumus Meyjes nog een tante wonen in Middelburg, zij stierf in hoge ouderdom in 1981. Aan haar sterven werd een bericht gewijd, als ik het goed heb, in het blad Ecclesia. Op haar hoge leeftijd was het haar klacht dat de Heere toch zo aan ons tekort komt. Zij ligt begraven bij haar ouders in de grafkelder precies naast die van ds. Paauwe op 'Eik en Duinen' in Den Haag. Alles heeft zijn bestemde tijd, ook het zuchten. Het zal een einde nemen, op de bestemde tijd. Geve de Heere de nagelaten betrekkingen genade en eer in het late nageslacht. Hij geve en bewerke herstel bij volk, kerk en theologie. We hebben behoefte aan de lessen van hoogleraren die ons mogen voeren in behouden haven.

Tenslotte, het viel mij op dat in dagbladen zoals het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad een redactioneel bericht van dit overlijden ontbroken heeft. Ik weet niet waarom, want voorheen kreeg een gewone hoogleraar kerkgeschiedenis wel een 'in memoriam' in de krant. Maar het is een droevig verschijnsel dat de gewone theologische hoogleraren, volgens kerkelijke overzichten van de laatste vijf jaren, niet eens meer bij de kerk gerekend worden. Niet het heilige is uit de wetenschap weggedaan, maar -precies andersom:- de wetenschap is uit de vergeestelijkte kerk gebannen. Ten onrechte claimt de zogeheten praktische theologie thans het alleenrecht in kerkelijke berichten. Dit is een signaal van overgeestelijkheid in het kerkelijke leven. Klassieke wijsheid en kennis van God vanuit de schepping lijken uit het kerkendom te zijn uitgebannen. Dit is fataal voor de gezondheid van de leer. Indien God niet in de grond van het bestaan aanwezig is, dan zal in de praktische theologie overblijven: de Godontkenning en het pure atheïsme in de kerk. Voor klassieke bevindelijke prediking is een afstandelijk hameren op theologische begrippen in de plaats gekomen. De afstand neemt nog toe, ons volk raakt vervreemd van de samenhang van het leven. Wie zich aan gezuiverde bewustzijnstheologie overleveren, die beroven ons volk jammerlijk van zijn gewone theologie. Kennelijk zijn gewone theologen als wetenschappers niet sterk meer aanwezig in het bewustzijn van het hypergelovige verheven kerkendom. Echter, degenen die de praktische (kerkelijke) theologie loskoppelen van de gewone wetenschap, geloven niet echt, maar zij vervallen tot atheïsme. Geloof zonder gewone wetenschap mist de spontane vaardigheid tot handelen vanuit de schepping. Wetenschap zonder geloof is immoreel, want het laat zich niet corrigeren.

Als theologie geen wetenschap is, wat is dan wel wetenschap? Als theologie een 'andere soort' wetenschap is, welke van beide is dan de eerste? God geve ons weer theologen die ons dienen in de Heere. Alle dingen zijn door de Zoon van Gods liefde geschapen. Moge de kerk haar plaats kennen voor Gods aangezicht, voor Zijn troon en hier beneden.

Ds. H. Oussoren



Lees verder...

WAT IS EEN NATIONALE SYNODE? [2, slot]

Uit de kring van de PKinN komt het voorstel om een 'nationale synode' samen te stellen in de Nederlanden. Naast protestantse kerkelijke richtingen zouden daarin ook pinkstergemeenten en evangelicalen vertegenwoordigd moeten zijn, doch het geheel is op exclusieve SoW-leest geschoeid. Alsof SoW de natie zou vertegenwoordigen.

Ik weet niet of het ds. de Fijter zelf ook maar iets interesseert, maar hij geeft met dit plan prachtig aan dat zijn eigen PKinN-synode slechts een smaldeel is uit de bonte massa kerkelijke denominaties, en dat de PKinN alles behalve de landskerk voortzet. Integendeel, SoW grijpt verder naar een verlichte macht d.m.v. een nieuwe synode. Deze 'nationale synode' kan zichzelf laten fotograferen op de plek waar de volkskerk eens ten grave gedragen is. Jezelf tot onbeëdigde opvolger te maken van de eedgetrouwe volkskerk, is een laffe prestatie, dit gebeurt niet elke honderd jaar. Zo wordt er nog 'es geschiedenis geschreven! Kennelijk heeft De Fijter zichzelf een onbeperkte bevoegdheid gegeven, want hij durft zich het begrip 'nationale synode' toe te eigenen.

Nu de inhoudelijke kant van het voorstel. Waar gaat het over? Ook al gaat het inhoudelijk nergens over, toch haal je er 'het' nieuws mee, want je bent samen. Wij zijn samen, dùs wij zijn. Volgens de voorpagina van het Reformatorisch Dagblad d.d. 12 september 2008 eist men samen de verantwoordelijkheid op voor de ontkerkelijking. Uiteraard zonder daarvoor aansprakelijk te worden gesteld, integendeel, het levert punten op. Er is tegenwoordig een soort collectieve schulderkenning die aan mensen de vrijheid geeft om op de verkeerde weg door te gaan. Dat het roer om moet, betekent kennelijk nog meer missionair getuigenis geven. De Fijter heeft het steeds over de ontkerkelijking van na de Tweede wereldoorlog, hoe erg dat allemaal is, maar hij wil niet breken met het beleid dat tot secularisatie in de kerk geleid heeft. Enorme onkerkelijkheid is ontstaan in de tijd dat het kerkendom het verbond brak, afstand nam van de gedoopte natie, de zilveren koorde afschafte, enz. Hoe begon dat? In die tijd creëerde de kerkelijke elite een kloof tussen kerk en volk. In KO-'51 werd het keihard vastgelegd: het gekerstende volk werd gedegradeerd tot volk dat gekerstend moet worden. Dit houdt in dat je het bestaande volk wegzet als ongekerstende toeschouwers. Het kerkelijke werk moest immers dienstbaar zijn aan mensen buiten de kerk. Maar die mensen waren er niet, want heel het volk is kerk. Doch er werd een breuk geforceerd om aan de missionaire ideologie gezag te geven. Hier achter schuilt een bedorven theologie, die de kerk zelf beschadigd en ontwricht heeft. De kerk is uitgedroogd, mensen zijn opgebrand, de gedegen volksprediking hield op, de verbroedering sloeg toe, en brede lagen van de bevolking werden losgelaten of voelden zich er niet meer bij horen, er ontstond kerkverlating. Het kerkendom ging zich missionair of apostolair ontfermen over de buitenkerkelijken die zij eerst kunstmatig tot 'wereld' gemáákt hadden. Voorheen woonde de 'wereld' de erediensten bij, een publieke vrouw ging rond 1920 iedere zondag ter kerke, al onthield zich van het sacrament. Maar het verschil is: nà de Tweede wereldoorlog gaan overgebleven kerkgangers de straat op om te zingen voor mensen die 'buiten' lopen. En voor zover er kerkgang overbleef, werd de wereld binnen gehaald om de kerk leuk te maken. Er moeten steeds meer 'leuke dingen' verzonnen worden door het kerkendom anno 2008, om klanten te binden. Dit varieert van een opwekkingsbijeenkomst tot cursussen zakjes plakken en kralen rijgen, door de kerk. In wat voor bochten wringt het kerkendom zich om bij de tijd te blijven. Zij presteren het zelfs om onder het mom van 'het roer moet om' toch verder te gaan. Hoor maar, de missionaire kerk gaat nòg méér missionair getuigenis geven. Dat is niet het roer omgooien, maar het is de ingeslagen weg vervolgen! De Fijter c.s. hebben niets van de eigentijdse geschiedenis geleerd. Zij gaan door om de laatste resten van de kerk te transformeren tot missionaire eilandjes. Zij kunnen niet rusten voordat het rechtvaardige volk gecapituleerd heeft voor de verlichte afbraakidealen. Dit uit zich in aanvaarding van dialoog, weerloosheid, gelijkheid, tuchtloosheid, toekomstgerichtheid.

Ondanks het feit dat apostolaatwerkers en andere missionaire types het ordechristendom ten grave hebben gedragen, komt ijskoud De Fijter op het idee om de missionaire snelheid op te voeren. In plaats van het stuur te wenden, propageert hij snelheidsverhoging. Wat moet er dan allemaal sneller en beter? Is het te doen om nog meer opwekking? Nog meer ideeën van anderen nadoen? Nog meer respect voor de verworpenen? Nog meer zelfverwijt? Nog meer vreemdelingschap (jezelf vervreemden van de gezonde basis)? Nog meer nieuwe waarden aanhangen tegen de bestaande orde in? Nog meer roep om herziene Bijbelvertalingen en liedbundels (om je ruimdenkendheid te manifesteren)?

Het is mode om onoverzichtelijkheid te creëren en vervolgens 'sociale cohesie' aan het volk op te leggen ten koste van de rechten, de Unie van Utrecht, en de geloofsverdediging. Let op, het is met dit voorstel niet zo dat De Fijter iets buiten zijn PKinN-boekje om doet. De Fijter versterkt in dit voorstel zijn exclusieve PKinN-mening, en hij legt deze op aan allen die meedoen of niet meedoen. Niemand behoeft bij een PKinN te schuilen, want De Fijter heeft twéé 'paraplu's' in de aanbieding. Wie niet onder de PKinN-paraplu wil verkeren, voor die heeft hij een nog grotere doch even pluralistische paraplu, die van deze 'synode'. Ook buiten de PKinN-organisatie kunnen mensen dan toch als officieuze pluralisten onder één grote hoed spelen, het maakt niet uit of je pinksterman bent of oud gereformeerd, als je de neutraliteit maar bezweert anno 2008. Beide paraplu's zijn aan elkaar gelijk. De 'nationale synode' van De Fijter staat onder het dictaat van de verlichte staatsreligie. Voor een pseudo-synode als deze geldt het gelijkheidsbeginsel van de antidiscriminatiedrijvers als leidraad. Wie zich niet laat losmaken uit het oude vertrouwde kaders, die plaatst zichzelf volgens de verlichte theologen buiten 'de' nationale discussie. Wij worden uitgeschakeld omdat wij geen aansluiting zoeken bij de missionaire heilsstaat van de toekomstige nationale 'christus'. De Fijter ontpopt zich als een rijksbisschop, die het kerkendom naar de nieuwe tijd brengt. Dit is een uitgekiend middel om de heiligheid te laten verkruimelen in een sfeer van extase, enthousiasme, loslating en overgave, waardoor het volk stemmeloos wordt gemaakt.

Nu rijzen er vragen zoals: Sinds wanneer zijn de lutheranen nationaal? Sinds wanneer zijn pinkstermensen protestants? Sinds wanneer zijn (gereformeerde) baptisten (met of zonder kinderdoop) geen trouw aan de volle nederlandse geloofseed verschuldigd? En hoe kan de gedoopte natie aan zichzelf toestemming geven om als toeschouwers te figureren, en als objecten te fungeren wanneer 'de kerk' praat over missionaire projecten?

Maakt de religie van De Fijter kans van slagen? In wezen wijst De Fijter aan hoe de trouwelozen de vlag in Nederland willen zien hangen. Maar wie heeft aan De Fijter het rijksbisdom geschonken? Ik weet dat dit soort vragen tegenwoordig als verkeerd gestelde vragen bestempeld worden, want elke pseudo-synode legaliseert zichzelf met de verzinsels van ongenormeerde meningsuiting. De Fijter praat de ontredderde kerkelijke massa, die het overzicht kwijt is, een nieuw zelfbeeld aan, dat van missionaire redders. Uit deze arrogante houding kan nieuwe dweperij (en uitputting) ontstaan.

Tenslotte geldt dat de Nederlanden niet pluraal zijn omdat De Fijter c.s. wat roepen, maar -integendeel:- het Nederlandse volk is een christelijk volk met landelijke synode, en dat zal het -naar recht- zijn wanneer statistieken vermelden dat de meerderheid van de individuen de eed breekt en de band met kerk en volk loochent. Dit laat de natie als zodanig onverlet, want geen natie kan aan zijn doop ontkomen, geen volk kan zijn bestaan vernietigen, en niemand kan het gezag van Neêrlands God te niet doen. Er is geen weldenkend mens die op een nieuw missionair avontuur zit te wachten. Het zou immers het vuur van de secularisatie nog harder doen branden. Als God ons geen overblijfsel gelaten had, waren we reeds als Sodom verbrand geworden. We weten niet wat nu volgt. Gaat het er om dat bijvoorbeeld in de laatste reformatorische kringen respect ontstaat voor sodomie? Of is de hele rage slechts een middel om behoefte te kweken aan een strakkere lijn? We weten niet wat we aan de verlichting hebben. Geen God en geen meester, maar eigenmachtigheid. Of, van de weeromstuit, juist strakkere dictatuur. Dit is de Janus-kop van de verlichting.

Ds. H. Oussoren


Lees verder...

zaterdag 23 augustus 2008

WAT IS EEN NATIONALE SYNODE? [1]

De PKinN-leider ds. G. de Fijter (Kampen) pleitte dezer dagen voor een 'nationale synode'. Wat bezielt hem? Immers De Fijter heeft in 2003 juist meegewerkt om de volkskerk af te schaffen, en daarmee de nationale synode. Het is in deze tijd mode om je als minderheidje voor te doen. De PKinN heeft als pluralistische denominatie gebroken met de oude, bestaande nationale synode. Wat beweegt De Fijter om het bijeenkomen van een specifiek 'nationale synode' voor te stellen? Zelfs al zou De Fijter niet doelbewust kunnen bezig zijn, hij is wel bezig met namaak. En namaakgehoorzaamheid vernietigt de samenleving. Wat is dat voor een 'natie' in de natie?

Voorheen noemden de voormannen van het conciliair proces een dergelijke massale bijeenkomst gewoon een 'kerkendag'. In het licht daarvan rijst de vraag waarom anno 2008 de natie er bij gesleept wordt? Immers een werkelijk nationale synode zou moeten zijn: de eedgetrouwe gekerstende natie in kerkelijke vergadering bijeen bijeengeroepen. De werkelijke nationale synode is algemeen geldig, want de volkskerk is katholiek, dat wil zeggen heeft betrekking op allen. De Fijter heeft echter wat anders voor ogen, bij hem is het een willekeurige massa denominaties en sekten aan wie hij de eer geeft om zichzelf in de plaats van de bestaande eedgetrouwe, gekerstende natie tot ongenormeerde pluralistische 'natie' te verheffen.

Door de oproep van De Fijter wordt ons onze bestaande wettige nationale synode afgenomen. Wederrechtelijk werkt hij er aan om ons onder een vreemde noemer te scharen. De Fijter zou makkelijk kunnen aanvoeren dat de staat dit al voor hem geregeld heeft, maar hij is zelf dan toch maar handlanger en uitvoerder gebleken in 2003 en thans. Blijkbaar moet de pluralistische beweging de nationale kerk in haar greep houden. De christelijke kerk en de Nederlandse geloofseed worden hiermee uitgeschakeld. Een nationale synode, in de ware betekenis van het woord, moet in de mond van De Fijter een vloek zijn, want een natie bezit natuurlijke samenhang. Maar wat interesseert De Fijter het geordende leven naar recht? Hij plaatst zijn gedachte boven het recht, zodat de nieuwe 'nationale synode' bestaat uit mensen in dialoog bijeen. Ik verneem hier de bindende formule van het pluralisme. Hierdoor ontneemt De Fijter ons de nationale vrede, en hij legt de kerk onder de namaakscepter van de gelijkheidsregering. De nieuwe 'synode' ligt onder het dictaat van de nieuwe gelijkheidsstaat. Hun 'synode' komt op basis van gelijkheidsgeloof bijeen, immers je behoeft slechts trouw te betonen aan de gelijkheid, dan mag je 'jouw' mening ventileren. Dit is een vorm van on-nederlandse baäldienst op eigen houtje, los van volk, schepping, Nederlandse geloofseed en kerkrecht.

Het is niet onduidelijk wat De Fijter doet. Onder een vals vaandel brengt hij een nietig vergaderingetje bijeen die geen andere samenhang vertoont dan die van de prullenbak, (maar intussen kan dit clubje -democratisch- wel 'het geheel' gaan vertegenwoordigen, net zoals wij zien bij het arrogante anonieme 'burgerinitiatief' dat per computer de stad Kampen de heilige dag des Heeren afneemt).

Waarover zal een 'nationale synode' volgens De Fijter moeten praten? De agenda is al bekend, er zijn twee gesprekspunten. De aanwezigen moeten nadenken over: Hoe kunnen zij samen Jezus Christus dienen en hoe kunnen zij samen missionair optreden. Blijkbaar is God de Vader niet in tel, het horen van het Woord en het afleggen van de geloofseed zijn gepasseerde stations in deze consumptiesfeer, want jij bepaalt zelf hoe jij gelooft en kiest, of niet. Zelfgenot, zelfexpressie en zelfverwijt zijn de drie geboden van het moderne gedragssysteem. Maar er is één voorwaarde, en die is dat je elkaar aanvaardt als aanhangers van- en activisten voor de nationale 'christus'.

Kennelijk vormen de deelnemers samen de 'nationale kerk'. Deze verdringt de oude nationale volkskerk van haar plaats. De supervergadering van De Fijter is anti-volkskerk, anti-geloofseed, anti-verbond, anti-orde en anti-formulieren van enigheid, maar staat onder het dictaat van de eedbrekende neutraliteit. Onder het mom dat ieder 'zichzelf' is, regeert de pluralistische voorzittershamer. Wie mee wil tellen, moet de modieuze houding van religieus zelfgenot, zelfexpressie en zelfbeschuldiging aannemen. Het voorstel voor een nieuwe 'synode' veronderstelt dat het gelijkheidsdenken natiebreed de achterban regeert. Kennelijk moeten de laatste resten van het christendom ontkend worden door de maatschappijvernieuwers. De nieuwe 'synode' is niet nationaal, want zij sluit de oude natie buiten.

Tegenover de namaakvergadering van De Fijter staat de werkelijke nationale synode. Wat betekent dat? De nationale synode is het gekerstende volk dat volgens eed en plicht in heilige vergadering bijeen is om het geloof te belijden, maar niet om de leer af te schaffen, de eigen belijdenis te relativeren, de tucht los te laten, of het gezag te grabbel te gooien. De werkelijke nationale synode belijdt het rechtzinnige geloof, terwijl zij alles wat daarmee niet in overeenstemming is verwerpt. De wettige synode heeft betrekking op alle leden van de gekerstende natie. De nationale synode bestaat al, niemand kan deze rechtmatig passeren met een namaakbijeenkomst.

Wat is dan het verschil? Bij een PKinN telt slechts de mening van een vrije, gepluraliseerde, geïndoctrineerde massa. Geen objectieve geloofseed, maar losse 'bezinning'. Aan de gemobiliseerde menigte wordt nu een onoverzichtelijk werkelijkheidsbeeld opgedrongen: hoe meer meningen in dialoog bij elkaar, hoe beter. De heilsstaat maakt (zoals elke militante ideologie) de meeste kans van slagen in een crisistoestand. Eerst de orde verloochenen, en dan dictatuur vestigen. In plaats van het geloof te verdedigen, moet je de mensen manoeuvreren in een positie van ootmoedspassiviteit. Als het vroeger 'allemaal maar niks' was, geven mensen zich makkelijker over aan de fabel van het nieuwe Nederland met zijn nationale namaakkerk.

Wat is de kerk? Het is volgens De Fijter een gemeenschap, die door Jezus Christus is bijeengebracht. Met zijn definitie heeft De Fijter de autoritaire toon gezet. Niemand wage het om te twijfelen aan de goedheid van zijn bedoeling, anders pleeg je immers heiligschennis. Nu zien we het grote Babel dat De Fijter in aanbouw heeft. Wie zou niet vol ontzag het oor neigen? Daarom heeft De Fijter ook geen reden om de vergadering van een wat bescheidener naam te voorzien, zoals b.v. 'kerkendag' of 'opwekkingsconferentie' o.i.d. (niet dat dit inhoudelijk verschil maakt, want het is allemaal even geel en groen). Doch als het een 'nationale synode' gaat heten, dan blijkt dat de PKinN-ideologie niet vrijblijvend is, want er is geen duimbreed grond waar de exclusieve pluralist (of post-modernist) niet van zegt: Dat is van mij! Ze hebben de oude nationale waarden juist opzij gezet, en het rechtvaardige volk verstoten. Maar slippendrager, dweper, activist, dromer en fantast zijn welkom. Dit is strijdig met de synodale rechtsorde.

Onze nationale monarchie en nationale synode behoren exclusief toe aan God en het oude bestaande corpus christianum (het christelijke rijk), in samenhang met alle andere christelijke naties van Europa. De landsvorsten dragen het gezag, zij verdedigen het vaderland conform het oude, bestaande recht tegen opstand, geloofsafval en landverraad. Elk land heeft zijn nationale synode, ieder gewest heeft zijn gewestelijke synode, en er zijn ook rijkssynoden, maar dit zijn stuk voor stuk vergaderingen van het volk dat ambtelijk vertegenwoordigd is onder de Nederlandse geloofseed en dat bindende besluiten neemt naar recht. Het plan van De Fijter is alles behalve een nationale synode, hij is met scheurmakerij bezig.

De Fijter miskent de werkelijke nationale synode. Door zijn doen koppelt hij de synode los van het volksleven, van de oude orde en van het onveranderlijke, objectieve christendom. Een echte synode is een vaderlandse zaak, en is niet iets van groepen die wat leuzen roepen, of die zich inzetten voor het behoud van de moderniteit, of die op het Malieveld op een hoorn lopen te blazen. De Fijter schendt het recht door een 'vijfde colonne' te introduceren als nationale synode. Hierdoor maakt hij dezelfde fout als de nationaal-socialistische Deutsche Christen die in de jaren-'30 van de 20e eeuw hun 'nationale kerk' in plaats van de eedgetrouwe bestaande kerk wilden stellen. De oprichting van een nieuwe 'nationale kerk' is al op zichzelf een terzijdestelling van de christelijke kerk en het rechtzinnige christelijke geloof als zodanig. [Lees hiervoor: M. Niemöller, De laatste 28 preeken in 1936-1937 te Berlijn-Dahlem, o.a. pag. 166, 209 vv.]

[slot volgt]

Ds. H. Oussoren


Lees verder...

vrijdag 25 juli 2008

DE GODZALIGE EED

We worden door elk gebod niet alleen vernederd maar ook geëerd. God doet ons recht. Hij zet ons op een vaste plaats. Door de nieuwe gehoorzaamheid leer je wat gehóórzaamheid is. Door levensvernieuwing leer je wat léven is. In de bekering tot God wordt de wil die onwillig was gewillig gemaakt. Door Zijn Geest vernieuwt Hij ons naar Zijn evenbeeld. Door een nieuwe mens te worden leer je wat mens-zijn is. Ik heb enkele malen tijdens catechismusprediking en tijdens de catechisatie nagedacht over de bekering, en over de richting waarheen de geboden van God de nieuwe mens leiden. Het gebod is als een leuning langs de trap. De leuning geeft je de goede richting aan. Zo zijn de geboden ons behulpzaam als wij beginnen te leven.

God als Getuige

We zien ook bij de uitleg van het derde gebod dat dit gebod ons tegelijkertijd bedroefd en blij maakt. Ook dit gebod heeft twéé bedoelingen voor onze bekering. De geboden maken ons tegelijkertijd bedroefd en blij, dit komt omdat de bekering twéé kanten heeft, het is immers tegelijkertijd een afsterven (vernedering) én een opstaan (behoud en verering). Wij worden vernederd als wij beleven dat wij met het vlees de wet der zonde dienen. Tegelijkertijd worden wij bovenmate geëerd als wij de vreugde der Wet beleven dat God ons in ons recht stelt. In welk recht? God schenkt ons het recht en de eer om Hem als de getrouwe Getuige aan te roepen. De eed is de rijkdom van het derde gebod. Het eedzweren is van eminent belang voor het gezonde volksleven. We weten daaruit dat we niet straffeloos verraden kunnen worden, dat onze staatsgeheimen geheim blijven, en dat de onschuldige niet straffeloos door een vals getuigenis veroordeeld kan worden. De godzalige eed is dus een middel om de onderlinge vrede te bewaren. Het wantrouwen wordt uitgebannen, de mensen worden bemoedigd. Door de eed wordt de twijfel weggenomen, zodat levenslust en goede ijver opbloeien, doordat God onze Getuige is.

Godzalige levenspraktijk

Wanneer de wettige overheid het van ons vraagt of wanneer er zich een noodsituatie voordoet, zoals bij voorbeeld in oorlogs- en verzetstijd, dan mogen we godzalig bij de Naam van God een eed zweren. Wat is het een zegen voor het gekerstende volksleven dat er goed vertrouwen onder de mensen wordt gewekt door de eed. Soldaten weten dankzij de krijgseed dat zij in goede handen zijn. De eed bepaalt ons bij de onveranderlijke rechten en plichten. Dankzij de eed weten wij bij voorbeeld ook dat er bescherming is, en dat we trouw zijn aan elkaar. Krachtens de eed weet je dat de waarheid gesproken wordt, en dat je op elkaar aankunt, dat de waarheid niet wordt verdraaid, en dat bij voorbeeld geheime gegevens niet aan de vijand verraden mogen worden. We gaan in goed vertrouwen met elkaar om, ook in de burgermaatschappijen. Het landsbelang, de godsdienst en vrijheid worden samen gediend, de twijfel wordt uitgebannen omdat je zweert bij God Die de Getuige is. Zijn Naam wekt vertrouwen in de geordende samenleving. Dit is de kern van de zaak. Hiervandaan zien wij in welke onzekere wantoestand we terechtkomen als we het alleenrecht van de godzalige eed uitbannen. Door een valse eed neemt het wantrouwen hand over hand toe onder de mensen. Denk aan de eed op de revolutionaire namaakgrondwet, of aan een eed op valse on-nederlandse afgoden en vreemde religies. En dan?

Het spreekt dus vanzelf dat het breken van de eed ondenkbaar is, want de eed is werkelijk­heid. Het is niet zo dat wij ergens een 'eed' in de kast hebben liggen, maar wij staan zelf in ons hele leven onder ede. God waakt over ons en over onze eden. De levende God haat de ontrouw, en de chaos die er uit volgt. Er zijn wel mensen die de eed niet willen afleggen, maar dat liet het bestaan van de Nederlandse eed onverlet. Nu rommelt de regering met de eed zelf, dat is erger. Toch is het weigeren van de eed ook niet zomaar iets. Een regering die de eed op losse schroeven stelt, is geneigd om te grijpen naar onrechtvaardige middelen, om de maatschappij onder controle te krijgen.

Weigering van de eed

Zowel wederdopers als atheïsten kunnen weigeren om de eed af te leggen. Wederdopers plaatsen zichzelf buiten de aardse orde, vanwege het bezit van de Geest. Hoewel zij zelf duizend plichten opleggen aan zichzelf, steigeren zij tegen de oude orde. Dit komt omdat zij het oude gezag in verband zien met dwang. In hun misvat­ting ontstaan de goede dingen vanuit het hart, zonder dwang. Het goede komt van binnenuit door het bezit van de Geest. Baptisten zien het gekerstende volk als zodanig helemaal niet zitten, het is afge­schreven. De baptist voelt goed aan dat degene die de eed aflegt het gezag erkent van degene die de eed afneemt en van de drieënige God. Eigenlijk voelt een godloochenaar hetzelfde, en, hoewel hij vanuit de tegen­overgestelde richting komt, weigert hij ook de eed. De atheïst erkent geen God, hij kent alleen subjectieve kennis, godsdienstigheid en ethisch handelen. Een atheïst verheft daarmee zichzelf tot een halfgod, en hij stelt aan heel de wereld de wet. Veronderstellenderwijs spreekt hij van “God”, Die regeert, maar dat is alleen om mensen netjes te laten leven. Het nette ongeloof is het opium waarmee godloochenaars greep proberen te houden op het halfgekerstende, bijgelovige volk. Het volk gelooft in de levende God, maar de atheïsten noemen God liever de onnoembare, want hij telt niet; en alleen hun eigen redenerende en emotionele oprispingen tellen. Nu begrijpen wij dat een atheïst onder en boven de wet staat; hij is zichzelf tot wet, en hij legt aan het volk zijn wil op. Hij wil het traditionele volk heropvoeden tot een massa zelfbewuste persoonlijkheden met een rotsvast geloof in leiding en aansturing.

Controlemaatschappij als surrogaat

De moderne overheden maken het eedzweren belachelijk door toe te laten om te zweren bij vreemde goden. Zo sterk zijn de liberalen bedwelmd door de 'opium' van het ongeloof, dat zij bij dit opium zweren. De geliberaliseerde superafgod die nu aanbeden wordt is een nieuwe valstrik voor ons gekerstende volk. De plurale Baäl wordt aangeroepen bij de eed, dat is een vreemde god die de naam van samenbinding, respect of religie draagt. Er kunnen geen twee oppergoden zijn, dus òf de HEERE regeert, òf de Baäl. Maar deze totalitaire, verlichte baäldienst is strijdig met onze staatkundige toestand. Men maakt nu van de eed een ervaringsritueel dat losgemaakt is van de Goddelijke scheppingswerkelijkheid. De hoogmoedige bewustzijnsmens is een rebel die onder het mom van wereldverbetering de geschiedenis herhaalt, meer niet. Het humanistische, antitraditionele zelfbewustzijn fnuikt ons, want wij kunnen God niet missen. Immers zonder de enige ware God vervalt heel onze rechtszekerheid. Dit geslacht gelooft niet in God omwille van Hemzelf. De heiligheid in de samenleving wordt verpulverd door het verzwakken van de unieke godzalige eed. De vreze Gods wordt verdaan, er ligt geen beslag, het recht van de sterkste fantast geldt. Hoe dan verder? De moderne staat voelt wel degelijk de zwakte van zijn Godloos bestaan, liberalen hebben zorg over het ongeleide projectiel dat 'democratische rechtsstaat' heet, want het is op niets gebaseerd. Liberale fantasten zijn niet zo zeker van hun gedroomde toekomst. Angst is hun raadgever. Krampachtig zoeken mensen (opnieuw!) naar een nieuwe 'eenheid', zij garanderen ons die met behulp van nieuwe 'totaalcontrole': camera's, legitimatiekaarten, identiteitsbewijzen, chipkaarten, afhankelijkheid, onvrijheid, preventief fouilleren, verantwoordingen en andere nieuwe eisen. Deze dingen verlenen een grenzenloze macht aan onbetrouwbare rechters en aan trouwelozen die de oude eed weigeren. Om de onrust hierover weg te nemen zetten de atheïsten aan het Nederlandse volk de opium voor van 'het vertrouwen' dat je moet stellen in 'leiding'. De Tweede Wereldoorlog heeft ons 'de leider' als erfenis nagelaten. De huidige staatkundig gereformeerden huilen veelal mee met de wolven in het bos. Het valt me op dat een vroegere antirevolutionaire man als H. Algra in zijn tijd veel en veel duidelijker verzet bood tegen staatsdwang en eigenmachtigheid, dan bij voorbeeld anno 2008 de staatkundig gereformeerde mannen doen. [Vergelijk: H. Algra, De eigen weg, pag. 280vv.]

Ten onrechte staat de controlerende totaal­staat thans op de plek van de eedgetrouwe Godsvergadering van mannen. De oude vrijheid is vervangen door grenzenloze machtsaanmatiging, slinksheid. Het Godsvertrouwen moet plaatsmaken voor de totaalovergave aan de controlemaatschappij. De gerespecteerde dictatuur van de angst is echter geen oplossing, brengt geen vrede, maar knaagt aan de wortels van het rechtvaardige volksleven. Keer op keer worden nieuwe tolerantieverordeningen uitgevaardigd om het leven van de wakkere en weerbare rechtvaardigen uit te schakelen. Een volk kan zich niet laten misleiden door een idee van namaakveiligheid. Wie de boel denkt te kunnen beveiligen met een superwet, is al -meinedig- met dictatuur bezig en breekt het Goddelijke verbond. Wie de godzalige eed inruilt voor wat nieuws, die verzaakt de enige en drieënige God Die onze Getuige is. Een volk dat zijn God verzaakt, verliest de vrees voor controlerende chips. Mensen aarzelen minder om een chip te laten implanteren in het voorhoofd of in de handen. Vele ogen zijn verblind voor het feit dat persoonsgegevens niet veilig zijn in dit wansysteem. Wie de levenscontrole in handen legt van trouwelozen, is zelf naïef en nalatig. Wie Neêrlands God uitbannen uit het publieke leven, zijn zelf een gevaar voor het gemenebest. Wie de kerk degradeert tot een goededoelenorganisatie 'in' het land, moet bedenken dat de moderne staat een slechtedoelenorganisatie is tegenover het vaderland. Zij degraderen de kerk schandelijk tot een staatsgeleide functie 'in' het land, terwijl zij zichzelf schaamteloos vergodde­lijken tot machthebbers 'van' het land. Het land wordt door vrouwen en kinderen die zich op het Binnenhof als verdwaasde demonstranten verkleden, geregeerd. Als de stroom uitvalt, werken de camera's niet meer. Wil men de ordehandhaving overlaten aan nieuwe bezetters? Wààr zijn de tranen gebleven?

Gods hulp

God laat ons in het derde gebod sterk bemoedigen en scherp waarschuwen. Er is geen zonde die God zozeer beledigt en tot toorn verwekt als het terzijdestellen van Zijn Naam. Het afleggen van de eed is niet verboden, maar het niet-geloven in God is verboden. Het gebod geeft aan degenen die tot God bekeerd zijn een verdiept besef van hun neiging tot afkerigheid. Maar God eert ons allereerst door met Zijn Naam dichtbij Zijn volk te zijn. Hij wordt geëerd als wij Hem als de Getuige aanroepen.

Wie de eed aflegt, die maakt de onderlinge verhoudingen beter. Dit is nodig bij de rechtbank, maar het is ook onmisbaar in oorlogstijd als de regering het land uitgeweken is. Dan gaat de praktijk van het eed-afleggen toch door. Mensen moeten immers altijd weten wie zij vertrouwen kunnen in belangrijke zaken. Betrouwbaar is alleen wie zich aan onze God bindt, en alle andere goden als vals verwerpt en afzweert. Wie Neêrlands God niet erkent, die erkent het nederlandse gezag niet. Wie de afgoden aanroept bij de eed, die geeft daarmee aan dat hij de Nederlanden onder het gezag plaatst van andere goden en van afgodische vreemde mogendheden waar hij onverminderd deel van uit blijft maken. Een afgodsdienaar blijft trouw verschuldigd aan een vijandelijk, vreemd gezag. Wij mogen krachtens onze eden onze rechten en vrijheden niet te grabbel gooien. Allen die de drieënige God op de tweede plaats stellen, zijn verdervers en hebben ongelijk. De geringste mate van achteruitzetting is al haat. Wie Christus 'gelijkwaardig' op een tiental laat zetten, komt niet voor Hem op, en toont geen eerbied voor Zijn hoogheid.

De liberale sekte zal niet bepalen of het nuttiger is dat Christus secuur wordt ondergebracht bij de Kamer van Koophandel. Het staat ook niet aan hen om over de kerk te beslissen of zij het algemeen belang beoogt. Het is voor elke antimacht een koud kunstje om te beslissen dat alleen dat kerk mag heten wat zich eenzijdig laat registreren en controleren door modernisten. Deze willen immers dat de kerk niet anders is dan een altijd slapende onderneming, oftewel de kerk moet zichzelf omvormen tot een niet-actief huis van koophandel. De moderne staat handelt wederrechtelijk wanneer hij bepaalt of de kerk het nut-beogende staatsbelang dient. Gaat alle geluk via de absolute, sektarische machtstaat? Het is precies andersom. Het kabinet Balkenende, Bos en Rouvoet behoeft zich niet nog eens te laten registreren bij de kerk, want volks- en overheidspersonen vallen altijd al onder het normale opzicht der kerk. Uit het tegenwoordige gespartel van de socio-liberalen zien wij dat zij zich niet aan het gezag van de waarheid weten te onttrekken. Wij zien ook dat de scheiding van kerk en staat niet anders dan vernietigend staatstotalitarisme betekent. De liberale sekte zal gaan bepalen wie een christen is en wat christelijk eigen is. Wat niet modern is, is volgens de liberalen geen legale kerk. De moderne staat werkt alleen aan zelfvergoddelijking. Nuttig is de kerk alleen als zij zich loyaal laat maken ten opzichte van de heersende staatsideologie (secularisatie, emancipatie en ongenormeerde zelfbeschikking). De kerk moet slapen, want wat nuttig is voor de staat, dat wordt ten onrechte aan de kerk gedicteerd. De kerk is echter het Godgeheiligde volk in de volle zin van het woord. Volgens de politiekcorrecte elite is het goed voor de staat om de kerk los te maken van het volk. En christenen zouden niet met de drieënige God in verband mogen staan, zij mogen alleen maar eigenwillige religie-mensen zijn. De opstandige kliek creëert God-loze religiemensen, die onder het economische bewind vallen. De blinde woede van onze machthebbers gaat zover dat zij de kerk per 1 juli 2008 ondergeschikt verklaren aan economische zaken. De economisering van de kerk is de zoveelste aanslag op gezag, leven, norm, volk, verzet en verbond door de ontwortelde, meinedige massa. De kroonrechten van Christus zijn onvervreemdbaar. Daarom buigt de kerk niet onder modernistisch economenbewind, doch -integendeel- de economie is gebonden aan de tien geboden. Dat is niet iets nieuws, want het gehele volk is gebonden aan de nederlandse geloofseed. Meinedigheid doet de bedreigingen van het verbond in werking treden. Het is ongepast om met Christus’ vijanden te heulen. Dan dooft het licht.

Ds. H. Oussoren



Lees verder...